ECLI:NL:PHR:2007:AZ6645
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht en interen op vermogen bij partneralimentatie na echtscheiding
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de partneralimentatie tussen gewezen echtgenoten na ontbinding van hun huwelijk. De vrouw vordert een hogere alimentatiebijdrage van de man. De rechtbank stelde de bijdrage op € 2.000 per maand, maar het hof verlaagde dit tot € 1.307 per maand, waarbij het hof oordeelde dat van de man niet kan worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert, omdat dit vermogen de enige bron van zijn inkomen is.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de juridische kaders rond de draagkracht van een alimentatieplichtige, met name de vraag of en in welke mate interen op vermogen als bron van draagkracht kan worden beschouwd. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur, waarin wordt aangegeven dat interen op ondernemingsvermogen in principe niet wordt verlangd, terwijl interen op belegd vermogen onder omstandigheden wel kan worden geaccepteerd.
In deze zaak is het vermogen van de man echter de enige bron van zijn inkomen, en het hof heeft geoordeeld dat een onbeperkt en niet tijdelijk interen op dit vermogen niet aangewezen is. De Hoge Raad bevestigt dat deze beoordeling een gemengde feitelijke en juridische aard heeft, waarbij de ruimte voor toetsing in cassatie beperkt is. De klachten van de vrouw worden daarom verworpen.
De Hoge Raad benadrukt verder dat de welstand tijdens het huwelijk weliswaar de behoefte van de alimentatiegerechtigde beïnvloedt, maar niet opnieuw mag worden meegewogen bij de draagkracht van de alimentatieplichtige. Dit zou immers leiden tot een onjuiste verdubbeling van de welstandseffecten.
De Hoge Raad concludeert dat het hof zijn oordeel over het niet mogen interen op het vermogen in deze omstandigheden niet onjuist heeft gemotiveerd en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot een andere uitkomst zouden moeten leiden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht oordelen dat van de man niet mag worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert.