ECLI:NL:PHR:2007:AZ6694
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bij gebruik van valse of onbekende persoonsgegevens in hoger beroep
In deze zaak is een verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat hij zijn ware persoonsgegevens niet heeft bekendgemaakt en zich onder een alias heeft voorgedaan. Het hof stelde vast dat het appel was ingesteld zonder de juiste persoonsgegevens, wat strijdig is met de wettelijke vereisten uit art. 449-452 Sv en eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De verdediging voerde aan dat deze niet-ontvankelijkheid in strijd zou zijn met het nemo tenetur-beginsel en artikel 6 EVRM Pro, maar het hof en de Hoge Raad verwierpen dit verweer. Het vereiste om persoonsgegevens te verstrekken bij het aanwenden van rechtsmiddelen is geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces, noch op de verklaringsvrijheid.
De Hoge Raad benadrukt dat het beginsel geldt voor zowel personen die zich anoniem houden als voor degenen die valse personalia gebruiken, zonder ruimte voor uitzonderingen. Ook het argument dat illegale vreemdelingen vaak aliassen gebruiken en dat het ontzeggen van rechtsmiddelen tot fouten kan leiden, wordt niet gevolgd.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid van verdachte in hoger beroep wegens gebruik van valse persoonsgegevens.