ECLI:NL:PHR:2007:AZ6708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM bij zedenvervolging ondanks ontbreken formele klacht
In deze zedenzaak heeft het hof vastgesteld dat het slachtoffer tijdens de terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij wilde dat de verdachte werd gestraft. Hoewel formeel geen klacht was ingediend zoals vereist volgens de oude artikelen 245 en 247 Sr, oordeelde het hof dat deze latere instemming voldoende was om de vervolging ontvankelijk te verklaren.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het proces-verbaal van de terechtzitting als dwingende bron geldt voor hetgeen ter zitting is gezegd. Het cassatieberoep dat zich richtte op vermeende onjuistheden in het proces-verbaal en nieuwe feiten na de zitting werd verworpen. De Hoge Raad bespreekt tevens de achtergrond en het doel van het klachtvereiste, dat was bedoeld om de belangen van minderjarige slachtoffers te beschermen.
De klachtplicht is inmiddels vervangen door een hoorplicht, waarbij de jeugdige in de gelegenheid moet worden gesteld zijn mening te geven. De Hoge Raad erkent dat een minderjarige aanvankelijk een strafzaak kan willen vermijden, maar later toch instemt met vervolging. In dat licht is het oordeel van het hof dat het ontbreken van een formele klacht niet aan de ontvankelijkheid in de weg staat, juist en begrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en de veroordeling ondanks het ontbreken van een formele klacht.