ECLI:NL:PHR:2007:AZ7621
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekening niet-uitgekeerde ondernemingswinsten bij huwelijkse voorwaarden en overwegende zeggenschap
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en jaarlijkse verrekening van opgespaarde inkomsten. Tijdens het huwelijk is nooit verrekening toegepast. De vrouw vordert verrekening van niet-uitgekeerde winsten van de familie-BV, waarvan de man 1/3 certificaathouder en bestuurder was.
De rechtbank oordeelde dat uitkeerbare winsten verrekend moeten worden, maar stelde dat nader deskundigenadvies nodig was om te bepalen of sprake was van uitkeerbare winsten. Het hof vernietigde deze tussenbeschikking en wees het verzoek van de vrouw af, stellende dat de man geen overwegende zeggenschap had over dividenduitkering conform art. 1:141 lid 4 BW Pro.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof dat enkel formele zeggenschap relevant was en dat de feitelijke zeggenschap niet aannemelijk anders was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht ook de feitelijke zeggenschap heeft betrokken en dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de man overwegende zeggenschap had. De mogelijkheid om via rechter dividenduitkering af te dwingen, betekent niet dat sprake is van overwegende zeggenschap. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de man geen overwegende zeggenschap heeft, waardoor de niet-uitgekeerde winsten niet voor verrekening in aanmerking komen.