ECLI:NL:PHR:2007:AZ8174
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gegronde vrees niet-nakoming verplichtingen
Verzoekster, van Marokkaanse afkomst en sinds 1979 in Nederland woonachtig, verzocht de rechtbank Haarlem op 2 december 2005 om toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek bij vonnis van 14 maart 2006 af omdat verzoekster niet te goeder trouw zou zijn ten aanzien van het ontstaan van haar schulden aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde deze uitspraak op 12 september 2006, waarbij het hof zich baseerde op artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet. Het hof achtte gegronde vrees aanwezig dat verzoekster haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zou nakomen, mede vanwege haar communicatiebeperkingen, afhankelijkheid van familie en moeite met Nederlandse wet- en regelgeving.
Verzoekster stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarop de gegronde vrees was gebaseerd en dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro. Volgens verzoekster kan gegronde vrees alleen worden aangenomen indien sprake is van verwijtbaar gedrag of onmogelijkheid tot nakoming. De Hoge Raad oordeelde echter dat de tweede afwijzingsgrond een ruimere betekenis heeft en ziet op de haalbaarheid van nakoming, waarbij het niet te snel aannemen van gegronde vrees centraal staat.
De Hoge Raad verwierp de klachten over de motivering en uitleg van het hof en bevestigde dat het hof voldoende gronden had om te oordelen dat verzoekster haar verplichtingen niet naar behoren zou nakomen. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gegronde vrees dat verzoekster haar verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.