ECLI:NL:PHR:2007:AZ8249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Berekening schadeloosstelling bij onteigening prostitutiepanden in stadsvernieuwingsplan
De zaak betreft een onteigeningsgeschil tussen de gemeente ’s-Gravenhage en een eigenaar van prostitutiepanden die onteigend zijn in het kader van een stadsvernieuwingsplan gericht op het uitbannen van raamprostitutie. De discussie spitst zich toe op de juiste berekening van de schadeloosstelling, waarbij deskundigen verschillende methoden hanteren, waaronder waardering op basis van huurwaarde per raam en een rendementsbenadering.
De rechtbank heeft de schadeloosstelling vastgesteld op basis van een benadering die rekening houdt met het relatief hoge rendement van de panden, waarbij ook inkomensschade en bijkomende schade zijn meegenomen. De gemeente maakte bezwaar tegen enkele uitgangspunten, zoals het aantal ramen, bezettingsgraad en huurwaarde, maar de rechtbank volgde de deskundigen.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de rechtbank ten onrechte het gemeentebeleid sinds 1999, dat de bezettingsgraad en huurinkomsten negatief beïnvloedde, niet had meegewogen (eliminatiebeginsel). De Hoge Raad oordeelt dat het beleid en het bestemmingsplan onderdeel zijn van de bestemming van het onteigende en dus bij de waardering in aanmerking moeten worden genomen. Ook wordt bevestigd dat de leer van de bindende eindbeslissing niet van toepassing is in onteigeningszaken.
Daarnaast is geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat een pand niet verhuurd was op de peildatum, zodat daarvoor geen inkomensschade wordt toegekend. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de schadeloosstelling zoals vastgesteld door de rechtbank wordt bevestigd.