ECLI:NL:PHR:2007:AZ8376
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en redelijke termijn in cassatie over fiscale delicten en proces-verbaalgebruik
In deze zaak stond de beoordeling centraal van het bewijs dat was gebaseerd op een door een verbalisant opgesteld samenvattend proces-verbaal, waarin ook verklaringen van andere opsporingsambtenaren waren verwerkt. De verdediging voerde aan dat dit proces-verbaal niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen. De Hoge Raad verwierp deze klachten en stelde dat het gebruik van een dergelijk compilatieproces-verbaal binnen de opsporingspraktijk past en dat de rechter in staat moet zijn de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van het onderzoek te toetsen.
Daarnaast werd geklaagd over het ontbreken van een volledige motivering van het hof bij het overnemen van conclusies uit het proces-verbaal. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende inzichtelijk had gemaakt welke feiten en omstandigheden als bewezen werden beschouwd en dat het hof niet verplicht was om alle onderliggende stukken in detail te vermelden.
Verder werd het verweer besproken dat het bewijsmateriaal onrechtmatig was verkregen vanwege de wijze van inbeslagneming in het kader van een Duits rechtshulpverzoek. De Hoge Raad stelde dat er sprake was van een concrete verdenking ten tijde van het Nederlandse onderzoek en dat het gebruik van de in beslag genomen stukken rechtmatig was.
Ten slotte concludeerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn in de cassatiefase met negen maanden was overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De overige middelen van cassatie werden verworpen.
Uitkomst: De redelijke termijn in cassatie is overschreden, wat leidt tot strafvermindering; overige klachten worden verworpen.