ECLI:NL:PHR:2007:AZ8413
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting zaak na ontslag raadsman en schending redelijke termijn
In deze zaak stond centraal of het hof terecht de behandeling van de zaak voortzette nadat verdachte in zijn laatste woord had medegedeeld zijn raadsman te hebben ontslagen. Het hof oordeelde dat verdachte geen concrete aanwijzingen had gegeven dat hij zich niet kon verenigen met het pleidooi van zijn raadsman en dat er geen sprake was van een verstoorde vertrouwensrelatie. Verdachte had bovendien niet verzocht om een andere raadsman of om onderbreking van de zitting.
De Hoge Raad bevestigde dat het strafprocesrecht geen bijzondere procedure kent om handelingen van een raadsman achteraf ongedaan te maken en dat het hof op basis van de feiten mocht vaststellen dat de vertrouwensrelatie niet was verbroken. De klacht dat de raadsman nalatig zou zijn geweest, werd verworpen omdat de raadsman aanwezig was bij alle zittingen, verzoeken tot het horen van getuigen had gedaan en had gepleit.
Verder werd het beroep op psychische overmacht door verdachte niet als zodanig erkend, omdat verdachte niet had aangegeven waarin die dwang bestond en uit zijn verklaringen bleek dat hij niet echt bang was voor de betrokkenen.
Ten slotte stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde straf. De overige klachten faalden, en de Hoge Raad vernietigde het arrest slechts voor zover het de strafduur betrof.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de strafduur en verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden afgewezen.