3.18 "(...). Het ligt voor de hand dat de toepassing van art. 220f, tweede lid, tot vele discussies aanleiding zal geven wanneer die vraag moet worden beantwoord aan de hand van een zo vaag criterium als de mate waarin de zaak tot woning dient. Men kan zich immers afvragen op welke wijze dat moet worden bepaald. In dit verband wijzen wij op de problemen die er geregeld ontstaan bij de toepassing van het criterium 'in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst'. Moet men de oppervlakte nemen als uitgangspunt, heeft de inhoud daarbij betekenis en wat te doen als de tijdsduur gedurende welke de ruimten worden gebruikt in belang-rijke mate verschillen? De verantwoordelijke bewindspersonen hebben echter tijdig het signaal van de SGP opgepakt (Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 5, blz. 9) en hebben bij nota van wijziging een aanvullende bepaling geïntroduceerd welke thans is vervat in art. 220f, derde lid. Het aanvullende voorschrift houdt in dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient indien de vastgestelde waarde van die zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De waardeverdeling is derhalve de basis voor de beoordeling."(23)
3.19 "Het 'in hoofdzaak'-criterium wordt toegepast op de delen van de onroerende zaak die tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De wetgever heeft hier een toelichting op gegeven. Deze toelichting komt ons enigszins onevenwichtig over. Om het gebruik van een schuur of garage voor opslag van goederen of stalling van voertuigen aan te merken als woondoeleinden gaat ons te ver. In de schuur wordt immers niet gewoond. Dat laat onverlet dat de strekking van hetgeen de wetgever heeft willen zeggen duidelijk is: schuurtjes en garages worden in beginsel aan de woondoeleinden toegerekend. Het ware wellicht beter geweest hier aan te sluiten bij het begrip 'gebruik'. Delen van de onroerende zaak die worden gebruikt als woonruimte of in samenhang daarmee, worden aangemerkt als delen die tot woning dienen. Delen van de onroerende zaak waarmee dat niet het geval is, worden als niet-woningen aangemerkt."(24)
3.20 "Bij de invoering van de tariefsdifferentiatie is in de memorie van toelichting voor het begrip woning verwezen naar het begrip zoals dat al langer voor de OZB wordt gebruikt. [voetnoot auteur: MvT, Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 19 e.v. (...).] Met deze opmerking lijkt te worden gerefereerd aan logische verwijzingen naar (toelichtingen op) eerdere wetten. Wie echter verder in de wets-geschiedenis duikt zal merken dat de wetgever nog nooit een heldere en eenduidige definitie van het woningbegrip heeft gegeven. (...).
Een (...) indicatie voor het woningbegrip is terug te vinden in de wetsgeschiedenis van de wijziging van de materiële belastingbepalingen in de Gemeentewet. Naar aanleiding van het waarderingsvoorschrift voor niet-woningen ontstond met de Kamer een kleine discussie over de gebruikte formulering 'tot woning dienen'. Enkele Kamerfracties leek het beter om te spreken over 'tot woning bestemd'. De toenmalige Staatssecretaris van Binnen-landse Zaken merkte naar aanleiding daarvan op dat van het begrip 'tot woning bestemd' de indruk kon uitgaan dat alleen het bestemmingsplan bepalend is. Dit vond de bewindspersoon te beperkt. Voor de vraag of een object wel of geen woning is, moet worden uitgegaan van de bestemming die door de belasting-plichtige aan de onroerende zaak is gegeven. [voetnoot auteur: MvA, Kamer-stukken II 1990/1991, 21 591, nr. 7, blz. 23 e.v. en bevestigd in Wet WOZ, Kamerstukken II 1993/94, nr. 22 885, nr. 6, blz. 37.]
Ten slotte wijs ik nog op de opmerkingen die naar aanleiding van de kerken-vrijstelling zijn gemaakt. Daar merkte de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken op dat het bestemd zijn voor de openbare eredienst inhoudt dat er een zekere duurzaamheid moet zijn in het nagestreefde gebruik van het gebouw. [voetnoot auteur: NEV II 1990/91, 21 591, nr. 10, blz. 15.] Met andere woorden: een tijdelijk gebruik is niet van belang.
3. Definitie woningbegrip
Nu een definitie van het woningbegrip in de wet of de wetsgeschiedenis ontbreekt, zal ik hier een eerste aanzet voor een definitie geven. Naast voorgaande
indicaties heb ik daarbij geput uit woordenboeken en uit jurisprudentie inzake de begrippen (on)roerende zaak, (on)gebouwde eigendommen en gemeubileerde woning.
In het spraakgebruik kan een woning worden omschreven als een bouwwerk of bouwsel dat door de geboden beschutting tegen weersinvloeden geschikt is om te dienen voor enigszins duurzaam, menselijk verblijf. Voor enigszins duurzaam verblijf door mensen is vereist dat men over enkele basisvoorzieningen kan beschikken terwijl men in de ruimte ook als individu (of in eigen gezinsverband) vrijelijk kan leven. Tot de basisvoorzieningen horen blijkens de jurisprudentie een slaapgelegenheid, sanitair, een kookgelegenheid alsmede relevante nutsvoorzieningen. De geschiktheid voor individuele bewoning komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de afsluitbaarheid van de ruimte.
Ook objecten die op zichzelf niet als woning kwalificeren maar die wel dienstbaar zijn aan woondoeleinden, worden als woning aangemerkt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan garages, tuinhuisjes of bergingen.
(...).
Gelet op discussie over 'tot woning dienen' en 'tot woning bestemd zijn' kan men bij de definitie van het woningbegrip niet volstaan met alleen de uitleg volgens spraakgebruik. Voor de vraag of bij de OZB en WOZ sprake is van een woning zal blijkens de wetsgeschiedenis ook de zekere duurzame bedoeling van een belastingplichtige met het object moeten worden getoetst. Daarbij dient de belastingplichtige volgens mij te worden opgevat als de geobjectiveerde eigenaar. Met de keuze van de eigenaar boven de gebruiker volg ik een gebruikelijke lijn uit de jurisprudentie ten aanzien van de gemeentelijke waarderingspraktijk. Voorts spreek ik van de 'geobjectiveerde eigenaar' omdat het objectieve karakter van de OZB er aan in de weg staat om uitsluitend van de subjectieve bedoelingen van de betreffende eigenaar sec uit te gaan. (...)."(25)
3.21 "Uit de wetsgeschiedenis kan (...) worden afgeleid dat de tariefdifferentiatieregeling is ontworpen met het oog op 'het stabiliseren van de effecten van de verschillen in waardeontwikkelingen tussen categorieën objecten'. Of iets een woning of een niet-woning is, is in deze regeling enkel van belang voor het bepalen van het toepasselijke tarief. Niet is beoogd om tot een afgebakende definitie van het begrip woningen te komen."(26)
3.22 "Hoewel de 70%-regel de charme van de relatieve eenvoud heeft en in het kader van een tariefdifferentiatie wellicht nog acceptabel is, werkt hij met het oog op het onderscheid belast/onbelast ons inziens te grof. Een gemengd object dat voor 70% tot woning dient zou met toepassing van dit 'hoofdzaak-criterium' geheel onbelast blijven, terwijl een vergelijkbaar object dat 'slechts' voor 60% tot woning dient geheel belast zou worden. Een dergelijke regeling zou in de praktijk als wille-keurig worden ervaren. Ook kan worden afgevraagd of een dergelijk subjectief criterium, namelijk het individuele gebruik, past in het nog altijd gehanteerde uitgangspunt dat de ozb objectieve en zakelijke belastingen zijn [voetnoot auteurs: Aldus J.A. Monsma, Afschaffen ozb op woningen: hoe moet dat eigenlijk?, InterLokaal 25 oktober 2002, Vierde kwartaal, nr. 3, Belastingblad 2002, blz. 1065.]."(27)
3.23 "3. De begrippen 'dienen tot' en 'dienstbaar zijn aan'
In de Wet WOZ en in de Gemeentewet gaat het begrip woning vaak vergezeld van de begrippen 'dienen tot' of 'dienstbaar zijn aan'. Dienen tot staat voor: bruikbaar zijn voor; dienstbaar zijn aan voor: ten nutte zijn van. De feitelijke situatie van een zaak is dus van belang om te beoordelen waarvoor de zaak te gebruiken is.
De begrippen dienen tot en dienstbaar zijn aan zien volgens Hof Arnhem op het huidige feitelijke gebruik. [voetnoot auteur: Hof Arnhem 15 december 2005, nr. 03/01679, Belastingblad 2006, blz. 240 (Zwolle). (...).] Hoewel het hof dit besloot voor de OZB, sluit de beslissing ook aan bij de betekenis van het begrip 'dienen tot' zoals dat in art. 17, derde lid, Wet WOZ wordt gebruikt. Uit de wetsgeschiedenis van dat artikel blijkt dat de wetgever de feitelijke bestemming die belanghebbende als huidige gebruiker aan de onroerende zaak heeft gegeven, doorslaggevend vindt en niet de bestemming volgens het bestemmingsplan. [voetnoot auteur: MvA, Kamerstukken II, 1993/94, nr. 22 885, nr. 6, blz. 37 (Invoeringswet Wet WOZ). De Wetgever herhaalde hier een standpunt dat eerder was ingenomen bij de wijziging van de materiële belastingbepalingen in de Gemeentewet (MvA, Kamerstukken II 1990/91, nr. 21 591, nr. 7, blz. 23 en 24).] Er is wat dat betreft geen verschil in de begrippen dienen tot en dienstbaar zijn aan. Het gaat bij beide begrippen om de feitelijke aanwending van de onroerende zaak.
In enkele uitspraken over instellingen in de zorg besliste de rechter dat er geen sprake is van dienen tot woning als het wonen zodanig met een andere functie wordt gecombineerd dat die andere functie in wezen de hoofdfunctie vormt. [voetnoot auteur: Hof Leeuwarden 29 april 2004, nr. 2032/02, Belastingblad 2004, blz. 675 (Smallingerland); Hof Leeuwarden 2 juli 2004, nr. 1946/02, Belastingblad 2004, blz. 1001 (Hoogezand-Sappemeer); Hof Amsterdam 20 augustus 2004, nr. 03/01805, Belastingblad 2005, blz. 11 (Zaanstad).] De rechters citeren hierbij een passage uit de wetsgeschiedenis waar is aangegeven dat objecten waarbij de woonfunctie overheerst, tot woning dienen. [MvT, Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 20 (Aanpassingswet Wet WOZ).]"
4. Van waardebepaling tot OZB-aanslag: terugkerend gebruik van het begrip woning
(...). De gemeentelijke waarderings- en OZB-praktijk doorlopend, komt men de woning enkele keren tegen. Ik loop ze stapsgewijs met u langs.
Stap 1: waardebepaling Wet WOZ
De vraag of een onroerende zaak wel of geen woning is, is bij de uitvoering van de Wet WOZ van belang voor de keuze van het waardebegrip. Art. 17, derde lid, Wet WOZ bepaalt immers dat een onroerende zaak 'voor zover die niet tot woning dient' naar de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt gewaardeerd als
deze waarde hoger is dan de waarde in het economische verkeer. (...).
Omdat in de wet en de wetsgeschiedenis geen nadere omschrijving van het begrip woning is gegeven, is hier het spraakgebruik van belang. Het moet dus gaan om een afgebakend object dat bruikbaar is om de mens en zijn bezittingen beschutting te bieden.
Art. 17, derde lid, Wet WOZ spreekt erover dat de onroerende zaak al of niet tot woning dient. Bij de keuze van het waardebegrip betekent dit dat men de onroerende zaak als geheel in ogenschouw moet nemen. Hierdoor worden delen van een onroerende zaak die op zichzelf geen woonfunctie hebben, door het totaalbeeld toch als woning aangemerkt. Het gaat hier om een weging van feiten en omstandigheden. Een beslissingsmodel is in de wet niet gegeven. Bij een combinatie van functies zal de hoofdfunctie in deze bepalend zijn.
(...).
Stap 2: karakterisering in de OZB
Voor de OZB is een onroerende zaak een woning als de WOZ-waarde in hoofdzaak is toe te rekenen aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden (art. 220a, tweede lid, Gemeentewet). In tegenstelling tot de waardering zelf, wordt hier dus niet het totaalbeeld beoordeeld maar wordt de onroerende zaak ontleed en worden de delen op feiten en omstandigheden getoetst. Na de ontleding bepalen uiteindelijk de waarden van de woondelen enerzijds en de overige delen anderzijds het karakter van de onroerende zaak.
Vooral bij ondersteunende delen kan sprake zijn van een combinatie van functies. In dat geval is een dergelijk deel niet aan de woonfunctie toe te rekenen. Vereist is immers dat het deel volledig dienstbaar is aan woondoeleinden.
In deze stap geldt het motto 'alles of niets'. Is een onroerende zaak door het 70%-criterium een woning dan is de hele onroerende zaak voor de OZB-gebruikers-belasting vrijgesteld. Is de onroerende zaak door het 70%-criterium niet in hoofdzaak een woning, dan is de hele onroerende zaak voor de OZB een niet-woning en (...) belast. (...)."(28)
3.24 "2.3. Feitelijk gebruik
In de derde plaats is van belang dat het, anders dan bijvoorbeeld het geval is bij de definitie van een zelfstandig bruikbaar gedeelte van een onroerende zaak in het kader van de objectafbakening [voetnoot auteur: Zie art. 16, aanhef en onderdeel c, Wet WOZ.], niet gaat om de vraag voor welk gebruiksdoel de te onderscheiden delen van een onroerende zaak naar aard en inrichting bestemd zijn, maar om de vraag voor welk doel de te onderscheiden delen feitelijk worden gebruikt. De term 'dienen tot' betekent iets anders dan de term 'bestemd zijn voor'. Dit brengt met zich mee, dat er actuele, vrij gedetailleerde informatie beschikbaar moet zijn over de feitelijke aanwending van een onroerende zaak. (...)."
2.4. Exclusief gebruik voor woondoeleinden
In de vierde plaats is van belang dat delen van een onroerende zaak die op zichzelf bezien zowel voor woondoeleinden als voor andere doeleinden dienen, niet meetellen als woondeel. (...)."(29)