ECLI:NL:PHR:2007:AZ9333

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00993/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46b SrArt. 81 ROArt. 591 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vrijwillige terugtred bij poging tot inbraak met braak

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, zitting te Leeuwarden, waarin verzoeker is veroordeeld wegens poging tot diefstal met braak. Het hof legde een gevangenisstraf van vier maanden op en bepaalde tevens de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

De kern van het geschil is het beroep op vrijwillige terugtred ex art. 46b Sr. Verzoeker stelde dat hij niet strafbaar was omdat hij vrijwillig was teruggetreden. Het hof oordeelde echter dat dit beroep niet slaagt omdat de poging tot diefstal niet is beëindigd door vrijwillige terugtred, maar doordat het verdachte niet lukte het raam zodanig te forceren dat hij het huis kon binnendringen.

Het hof stelde vast dat verdachte reeds handelingen had verricht die strekten tot voltooiing van het delict, zoals het forceren van het raam met een scherp voorwerp en het aanbrengen van fors geweld waardoor het kozijn was ontzet. Deze feiten maken volgens het hof dat sprake is van een poging tot diefstal waarbij vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk is en dat het middel faalt. Ook het verzoek om de zaak in Amsterdam te behandelen in plaats van Leeuwarden werd door het hof terecht afgewezen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens poging tot diefstal met braak; beroep op vrijwillige terugtred faalt.

Conclusie

Griffienr. 00993/06
Mr. Wortel
Zitting:20 februari 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Leeuwarden, waarbij verzoeker wegens "poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf van zes maanden, die verzoeker in een eerdere zaak voorwaardelijk was opgelegd.
2. Namens verzoeker heeft mr G.A. Jansen, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat een aanhoudingsverzoek ten onrechte is afgewezen.
4. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is voor de behandeling in hoger beroep niet verzoeker, maar wel zijn raadsvrouwe verschenen. De laatste heeft, blijkens dit proces-verbaal en de daaraan gehechte brief die de raadsvrouwe op voorhand aan het Hof had gezonden, betoogd dat verzoeker is benadeeld door de beslissing de zaak in de nevenzittingsplaats Leeuwarden te laten behandelen, aangezien verzoeker zijn aanwezigheidsrecht wil benutten doch de reis naar Leeuwarden niet kan betalen. De raadsvrouwe verbond hieraan het verzoek hetzij de behandeling aan te houden om verzoeker gelegenheid te geven geld voor een treinkaartje te bemachtigen (al dan niet door een beroep te doen op art. 591 Sv Pro), hetzij de zaak alsnog te laten behandelen op een te Amsterdam gehouden zitting van het Amsterdamse Hof.
5. De in het proces-verbaal van deze terechtzitting opgenomen beslissing van het Hof op dit verzoek luidt:
"Het hof Amsterdam bepaalt welke zaken in Leeuwarden worden behandeld. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd is geen reden om de zaak in Amsterdam te behandelen"
6. Het kan er voor gehouden worden dat het Hof hiermee tevens tot uitdrukking heeft willen brengen dat het door de raadsvrouwe aangevoerde evenmin voldoende reden is om de behandeling aan te houden tot een nadere terechtzitting in de nevenzittingsplaats.
7. Dat lijkt me niet onbegrijpelijk, mede omdat de bovengenoemde brief van de raadsvrouwe inhield dat verzoeker problemen zou hebben bij het bekostigen van zijn reis naar Leeuwarden, doch de raadsvrouwe niet kon uitsluiten dat verzoeker toch zou verschijnen; de raadsvrouwe het Hof niet duidelijk heeft gemaakt op welke, aanvaardbare, termijn verzoeker wèl zou kunnen verschijnen, en de raadsvrouwe zich in staat achtte om desnoods, met diens uitdrukkelijke machtiging, de verdediging van de afwezige verdachte te voeren.
Het middel faalt derhalve.
8. In het tweede middel wordt er over geklaagd dat het Hof een ontoereikend gemotiveerde, althans onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven op het verweer dat verzoeker niet strafbaar is omdat hij vrijwillig is teruggetreden.
9. De bewezenverklaring betreft een poging in te breken in een woning. Naar aanleiding van het in dit middel bedoelde verweer is in de bestreden uitspraak overwogen:
"Verdachte is op 25 januari 2003 rond drie uur in de morgen de tuin achter het huis van [benadeelde partij 1] ingelopen. Vervolgens heeft hij met een scherp voorwerp het slaapkamerraam van dat huis geforceerd. Ook moet verdachte nog fors geweld toegepast hebben, waardoor het kozijn aan de onderzijde ontzet is.
Gelet hierop is het hof van oordeel, dat verdachte getracht heeft om via het slaapkamerraam het huis binnen te komen met als doel iets van zijn gading te stelen, maar dat dit hem ondanks voornoemde handelingen niet is gelukt.
Met deze omstandigheid is er sprake van een poging tot diefstal waarna een beroep op vrijwillige terugtred niet meer mogelijk is."
10. Deze overweging getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Verder is zij, uit de aard der zaak, in hoge mate feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.
Ook het tweede middel faalt.
11. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,