ECLI:NL:PHR:2007:BA0038
Parket bij de Hoge Raad
- mr. De Vries Lentsch-Kostense
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bijtelling duur eerste huwelijk bij alimentatieduur tweede huwelijk
In deze zaak staat centraal de uitleg van artikel 1:166 BW Pro in samenhang met artikel 1:157 lid 6 BW Pro omtrent de duur van de alimentatieverplichting na echtscheiding en hertrouwen van dezelfde partijen. De vrouw en man waren twee keer met elkaar gehuwd, beide huwelijken kinderloos en het eerste huwelijk was ontbonden met een echtscheidingsconvenant waarin alimentatie was uitgesloten. De vrouw stelde dat de duur van het eerste huwelijk bij de berekening van de alimentatieduur van het tweede huwelijk moest worden opgeteld.
Het hof had geoordeeld dat het eerste huwelijk niet meetelde omdat de gevolgen daarvan waren afgehandeld en dat de vrouw misbruik van recht maakte door hoger beroep in te stellen met het doel de alimentatietermijn te verlengen. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel over de duur van het huwelijk en stelt dat artikel 1:166 BW Pro inhoudt dat alle gevolgen van het eerste huwelijk herleven bij hertrouwen, zodat de duur van het eerste huwelijk moet worden meegerekend bij de alimentatieduur van het tweede huwelijk.
De Hoge Raad benadrukt dat dit ook geldt als partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van het eerste huwelijk hebben afgehandeld, omdat de alimentatieverplichting voortvloeit uit de verantwoordelijkheid die echtgenoten door het huwelijk op zich nemen. De vrouw heeft dus recht op alimentatie voor een periode gelijk aan de gezamenlijke duur van beide huwelijken. Het hof oordeelde terecht dat de vrouw misbruik van recht maakte met haar hoger beroep, maar dat doet niet af aan de bijtelling van de huwelijksduur.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt onvoldoende draagkracht te hebben, ondanks onduidelijkheden in zijn financiële positie en de omvang van stille reserves. Ook het oordeel dat de man uit zijn privévermogen, waaronder een kunstcollectie, rendement kan genereren om alimentatie te betalen, is niet onbegrijpelijk. Het incidentele cassatieberoep van de man wordt verworpen.
De Hoge Raad bepaalt dat de alimentatieverplichting van de man in beginsel eindigt twaalf jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van het tweede huwelijk, omdat de gezamenlijke duur van beide huwelijken langer dan vijf jaar is. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 1:166 BW Pro op alimentatie en verduidelijkt de gevolgen van hertrouwen voor alimentatieduur.
Uitkomst: De alimentatieverplichting eindigt twaalf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van het tweede huwelijk, waarbij de duur van het eerste huwelijk wordt meegerekend.