ECLI:NL:PHR:2007:BA1637

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01122/06 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116.1 SvArt. 552a SvArt. 552a.6 SvArt. 94 SvArt. 103 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beslissing rechtbank inzake teruggave inbeslaggenomen geldbedragen

Deze zaak betreft een beklag tegen de weigering van de rechtbank Maastricht om inbeslaggenomen geldbedragen van €1.100 en €26.000 aan de beslagene terug te geven. De officier van justitie had aangegeven dat het onderzoeksbelang niet langer bestond, waardoor het beslag opgeheven had moeten worden en het geld teruggegeven aan de beslagene.

De rechtbank oordeelde echter dat ondanks het wegvallen van het onderzoeksbelang geen last tot teruggave werd gegeven omdat er conservatoir beslag zou worden gelegd en er een verdenking bestond die een geldboete van de vijfde categorie betrof. De Hoge Raad stelt dat de wet niet voorziet in het weigeren van teruggave op grond van een voorgenomen conservatoir beslag.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de enkele aankondiging van een ander beslag onvoldoende is om teruggave te weigeren als het oorspronkelijke beslagbelang is vervallen. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde beslissing op het beklag, waarbij het OM vrijstaat conservatoir beslag te leggen indien de ontnemingsprocedure nog loopt.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de weigering tot teruggave van inbeslaggenomen geld en verwijst de zaak voor hernieuwde beslissing.

Conclusie

Griffienr. 01122/06 B
Mr. Wortel
Zitting:20 maart 2007
Conclusie inzake:
[verzoekster = klaagster]
1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Maastricht waarbij een namens verzoekster ingediend beklag, strekkende tot teruggave aan haarzelf van inbeslaggenomen geld (bedragen van € 1.100 en € 26.000), ongegrond is verklaard.
2. Namens verzoekster heeft mr B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. In de bestreden beschikking is overwogen, voor zover hier van belang:
"De officier van justitie heeft in raadkamer te kennen gegeven dat het onderzoeksbelang in de strafzaak zich niet langer verzet tegen opheffing van het beslag maar dat het inbeslaggenomene niet aan klaagster behoort te worden teruggegeven aangezien er een vordering tot het [lees: ontnemen van, A-G] wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ingediend.
De rechtbank is gezien de inhoud van het procesdossier en het verhandelde in raadkamer van oordeel dat het onderzoeksbelang het voortduren van het beslag niet langer vordert. Tevens is het niet zeer waarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomene verbeurd zal verklaren dan wel aan het verkeer zal ontrekken.
Toch zal een last tot teruggave niet worden gegeven, aangezien er ook conservatoir beslag zal worden gelegd en er sprake is van een verdenking ter zake van een misdrijf bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie terwijl zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
Het beklag van klaagster zal daarom ongegrond worden verklaard."
4. Hiertegen wordt terecht de klacht opgeworpen dat de Rechtbank, eenmaal vastgesteld hebbend dat er geen onderzoeksbelang meer is waardoor handhaving van het op de voet van art. 94 Sv Pro gelegde beslag wordt gerechtvaardigd, het beslag had moeten opheffen en de teruggave aan de beslagene had moeten bevelen. De wet kent niet de mogelijkheid zodanige last tot teruggave te weigeren in afwachting van andere beslaglegging. Ook terecht wordt er in de toelichting op het middel op gewezen dat nergens uit blijkt dat ten tijde van het geven van de bestreden beschikking, 14 maart 2006, toepassing was gegeven aan het bepaalde in art. 103 Sv Pro
5. De officier van justitie in het arrondissement Maastricht heeft nog een stuk nagezonden waaruit blijkt dat de rechter-commissaris in de rechtbank aldaar op 26 juni 2006 verlof heeft verleend (overigens onder een ander parketnummer dan op de eerder toegezonden stukken is vermeld) tegen verzoekster een strafrechtelijk financieel onderzoek in te stellen. In zijn begeleidende brief maakt de officier van justitie gewag van een voornemen om in verband met dit SFO conservatoir beslag te leggen, waarmee naar het inzicht van de officier van justitie het belang bij het cassatieberoep zou komen te vervallen.
6. Dat lijkt mij niet juist. De enkele aankondiging dat op andere wettelijke grond beslag zal worden gelegd is onvoldoende om teruggave te weigeren indien de aanvankelijke grond voor beslaglegging is weggevallen. Dat geldt ook voor de aankondiging van handhaving van het bestaande beslag in de vorm van conservatoir beslag. Die enkele mededeling kan in deze zaak niet het oordeel dragen dat er geen redelijk belang meer is bij beoordeling van de opgeworpen cassatieklacht.
7. Die beslissing zou uiteraard wel genomen kunnen worden indien zeker is dat het betreffende voorwerp inmiddels op andere titel is inbeslaggenomen. Daarom verzocht ik de officier van justitie in de gelegenheid te stellen iets te produceren waaruit kan blijken dat het beslag op de in het klaagschrift bedoelde geldbedragen inmiddels (metterdaad) is gehandhaafd als een conservatoir beslag.
8. Daarop heeft de officier van justitie niet gereageerd. Verzoekster heeft derhalve belang bij een beslissing op haar terecht opgeworpen cassatieklacht. Dat kan overigens een Pyrrusoverwinning blijken te zijn, want als de Hoge Raad de strekking van deze conclusie kan volgen zal het de officier van justitie ook bij kennisneming van de uitkomst van dit cassatieberoep nog vrijstaan conservatoir beslag op de betreffende geldbedragen te leggen - aangenomen, uiteraard, dat de ontnemingsprocedure dan nog loopt.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing, met terug- of verwijzing van de zaak teneinde opnieuw op het beklag te doen beslissen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,