ECLI:NL:PHR:2007:BA1639
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid betekening appeldagvaarding ondanks ontbreken vaste woon- of verblijfplaats verdachte
In deze zaak stond de geldigheid van de betekening van een appeldagvaarding centraal. De verdachte was sinds 1997 zonder vaste woon- of verblijfplaats geregistreerd en had in de appelakte een onduidelijk adres opgegeven. De dagvaarding kon niet op het opgegeven adres worden betekend en werd daarom aan de griffier van de rechtbank uitgereikt. De verdachte verscheen niet ter terechtzitting, waarna verstek werd verleend.
De verdediging stelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de verdachte geen woon- of verblijfplaats had en dat de dagvaarding daarom niet rechtsgeldig was betekend. Ook werd betoogd dat een kopie van de dagvaarding niet tijdig aan de verdachte was verzonden. De Hoge Raad stelde echter vast dat het ressortsparket voldoende pogingen had gedaan om de verdachte te bereiken, waaronder het aanbieden van de dagvaarding op meerdere adressen en het uitreiken aan de griffier.
De Hoge Raad bevestigde dat de betekening aan de griffier rechtsgeldig was volgens de toen geldende wettelijke bepalingen en jurisprudentie. De termijn voor verzending van een afschrift per post werd als 'onverwijld' beschouwd. Omdat de verdachte niet was verschenen en geen klacht had ingediend over de betekening, was het onderzoek niet nietig. Het beroep werd verworpen en het vonnis van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding.