ECLI:NL:PHR:2007:BA2161
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie bij herhaald beklag tegen inbeslagneming honden
In deze zaak gaat het om het beklag van klaagster tegen de inbeslagneming van twee honden die schapen hadden verwond. De Rechtbank had klaagster reeds eerder niet-ontvankelijk verklaard in een beklag tegen dezelfde inbeslagneming. Dit eerdere besluit was nog niet onherroepelijk vanwege een lopend cassatieberoep in een samenhangende zaak.
Klaagster stelde in het nieuwe beklag dat de afstandsverklaring niet rechtsgeldig was, onder meer omdat zij en de beslagene onder druk waren gezet en onjuist waren voorgelicht. Tevens voegde zij nieuwe stukken toe, waaronder een verklaring van een psychiater ter onderbouwing van haar bewering dat haar vermogen om adequaat te reageren in stressvolle situaties ernstig gestoord was.
De Rechtbank oordeelde dat deze nieuwe argumenten geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden die een nieuwe beslissing rechtvaardigden, en dat het indienen van een nieuw beklag in feite neerkwam op een intern beroep tegen de eerdere beschikking, wat niet is toegestaan binnen het gesloten systeem van rechtsmiddelen in het Wetboek van Strafvordering.
De Procureur-Generaal concludeerde dat klaagster geen belang heeft bij het cassatieberoep en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tevens benadrukte hij dat de rechtszekerheid vereist dat de status van het inbeslaggenomen voorwerp niet steeds opnieuw ter discussie kan worden gesteld, tenzij er nieuwe relevante omstandigheden zijn die het voortduren van het beslag onnodig maken.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel faalt en dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep, met als subsidiaire optie verwerping van het beroep.
Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.