ECLI:NL:PHR:2007:BA2548

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01059/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 WVW 1994Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 178 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens verjaring bij overtreding rijbewijsplicht

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de verdachte was veroordeeld tot drie weken hechtenis wegens overtreding van art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (rijbewijsplicht).

De kern van het geschil betreft de verjaring van het recht tot strafvordering. Het bewezenverklaarde feit vond plaats op 7 januari 2001, waarna de verjaringstermijn van twee jaren volgens art. 70 Sr Pro op 8 januari 2001 begon te lopen. Door wijzigingen in art. 72 Sr Pro per 1 januari 2006 ontstond een situatie waarin het vervolgingsrecht eerder verviel dan voorheen, hetgeen de wetgever later corrigeerde met ingang van 7 juli 2006.

De Hoge Raad oordeelt dat bij het wijzen van het bestreden arrest op 5 januari 2006 reeds vaststond dat het recht tot strafvervolging was verjaard op 8 januari 2005. Hierdoor moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging, en kan het bestreden arrest niet in stand blijven.

Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van verjaringsregels en de gevolgen van wetwijzigingen voor strafvorderlijke procedures.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvordering.

Conclusie

Griffienr. 01059/06
Mr. Wortel
Zitting:3 april 2007
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens "overtreding van art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot drie weken hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende een cassatiemiddel ingediend.
3. Deze schriftuur behelst mededelingen over de strekking van de bestreden uitspraak waar ik geen touw aan kan vastknopen, maar het komt er op neer dat de steller van het middel gaarne gebruik maakt van de hint die het Hof hem heeft gegeven. Blijkens een mededeling van zijn griffier heeft het Hof namelijk gesignaleerd dat de vervolgingsverjaring is ingetreden, om welke reden uitwerking van de bestreden uitspraak achterwege is gelaten.
4. Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit, strafbaar gesteld in art. 107, eerste lid, WVW 1994, wordt ingevolge art. 178, tweede lid, van die Wet aangemerkt als overtreding.
Volgens art. 70 Sr Pro verjaart het recht tot strafvordering ten aanzien van overtredingen door het verstrijken van twee jaren, welke termijn ingevolge art. 71 Sr Pro aanvangt op de dag na die waarop het feit is begaan.
5. Ingevolge art. 72 Sr Pro stuit elke vervolgingsdaad de verjaring. Het tweede lid van art. 72 Sr Pro hield na de invoering van de Wet van 16 november 2005 (Stb 2005, 595) op 1 januari 2006 in dat na elke stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt, doch het recht tot strafvervolging definitief verjaart indien er na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn begon te lopen een periode is verstreken die het dubbele bedraagt van die oorspronkelijke verjaringstermijn.
6. Deze wijziging van art. 72 Sr Pro strekte tot het verlengen van verjaringstermijnen, maar had het onbedoelde effect dat het vervolgingsrecht ter zake van overtredingen juist veel eerder verviel dan voorheen. De wetgever heeft dit hersteld bij Wet van 5 juli 2006, Stb 2006, 310, in werking getreden op 7 juli 2006. Deze wet kent als bepaling van overgangsrecht dat het tweede lid van art. 72 Sr Pro, zoals die bepaling luidde tussen 1 januari 2006 en 7 juli 2006, toepasselijk blijft in al die gevallen waarin het vervolgingsrecht op laatstgenoemde datum was verjaard.
7. Het in deze zaak bewezenverklaarde feit is begaan op 7 januari 2001, zodat de in art. 70 Sr Pro bedoelde termijn is gaan lopen op 8 januari 2001. Bij het wijzen van de bestreden uitspraak, op 5 januari 2006, had derhalve vastgesteld moeten worden dat ingevolge art. 72, tweede lid, Sr, zoals de bepaling op dat moment luidde, het recht tot strafvervolging reeds op 8 januari 2005 was vervallen.
8. Het staat dus vast dat het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zodat de bestreden uitspraak reeds daarom niet in stand kan blijven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in deze vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,