ECLI:NL:PHR:2007:BA2552

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01357/06 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 74.1.f SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt recht op ontnemingsvordering na weigering taakstrafaanbod

In deze zaak ging het om een betrokkene die tijdens een TOM-zitting een aanbod kreeg om een taakstraf van 170 uur te verrichten om een dagvaarding te voorkomen. Betrokkene weigerde dit aanbod. Vervolgens stelde het Openbaar Ministerie een ontnemingsvordering in bij de hoofdzaak. De verdediging klaagde dat het OM niet had vermeld dat bij weigering van het taakstrafaanbod ook een ontnemingsvordering kon volgen, wat volgens hen in strijd was met de beginselen van een goede procesorde.

De Hoge Raad verwierp dit verweer. Het hof had geoordeeld dat het OM vrij stond om naast de strafzaak ook een ontnemingsvordering in te dienen, ook als dit niet bij het taakstrafaanbod was gemeld. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk of onjuist en verwierp het cassatieberoep.

De Hoge Raad benadrukte dat een taakstraf als strafmaatregel losstaat van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene kon daarom niet redelijkerwijs verwachten dat het OM bij het doen van het taakstrafaanbod ook zou afzien van een ontnemingsvordering. Hierdoor werd het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het OM een ontnemingsvordering kan instellen na weigering van een taakstrafaanbod zonder voorafgaande melding hiervan.

Conclusie

Griffienr. 01357/06 P
Mr. Wortel
Zitting:3 april 2007
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, waarbij verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting is opgelegd aan de Staat € 2.500 te betalen.
2. Namens verzoeker heeft mr J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat een beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte of op onbegrijpelijke gronden is afgewezen.
4. Gedoeld wordt op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:
"De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat veroordeelde voor de hoofdzaak (parketnummer 21-003582-04) door het openbaar ministerie is uitgenodigd voor een zogenaamde TOM-zitting (Taakstraf Openbaar Ministerie-zitting), waarbij de officier van justitie veroordeelde een aanbod heeft gedaan tot het uitvoeren van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 170 uur. Veroordeelde heeft dit aanbod afgewezen, waarna het openbaar ministerie veroordeelde alsnog heeft gedagvaard voor de hoofdzaak en daarbij een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ingediend. De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie veroordeelde bij de TOM-zitting niet heeft voorgehouden dat het afwijzen van het aanbod ten gevolge zou kunnen hebben dat er tevens een ontnemingsvordering zou worden ingediend. De raadsman is van mening dat de beginselen van een goede procesorde zijn geschonden, nu veroordeelde hier niet van op de hoogte is gesteld. De raadsman verzoekt het hof hier rekening mee te houden bij het bepalen van de hoogte van het te ontnemen bedrag.
Het hof is van oordeel dat als veroordeelde ervoor kiest het door het openbaar ministerie geboden aanbod niet te aanvaarden, het de officier van justitie vrij staat om naast het aanhangig maken van de hoofdzaak, ook een ontnemingsvordering tegen veroordeelde in te dienen. Het hof acht dit niet in strijd met een behoorlijke procesorde. Dat is niet anders, als de officier van justitie bij de "TOM-zitting" geen melding heeft gemaakt van een mogelijke voordeelsontnemingsprocedure."
5. Een taakstraf is - zoals het woord reeds zegt - naar zijn aard een vorm van bestraffing, die niets uitstaande heeft met ontneming van wederrechtelijk gewin. Verzoeker kon dus begrijpen dat het aanbod tot ondergaan van een taakstraf alleen betrekking had op de strafzaak. Aan dat aanbod kon verzoeker niet het redelijk vertrouwen ontlenen dat het Openbaar Ministerie ook een ontnemingsvordering achterwege zou laten.
6. De verwerping van het verweer getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk te noemen.
Het middel faalt.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Naar mijn inzicht leent het enige middel, en daarmee ook het beroep, zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,