ECLI:NL:PHR:2007:BA3035

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/062HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 9 Wet BopzArt. 15 lid 2 Wet BopzArt. 17 lid 2 Wet BopzArt. 19 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf wegens schending hoor en wederhoor Wet Bopz

In deze zaak heeft de officier van justitie bij de rechtbank Arnhem verzocht om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende deze machtiging op basis van een geneeskundige verklaring en een toelichting van de behandelaar tijdens de zitting.

Tijdens de zitting heeft de raadsman van betrokkene gevraagd om te mogen reageren op een nieuwe verklaring van de behandelaar, maar de rechtbank weigerde dit met het argument dat de raadsman al tweemaal het woord had gehad. De Hoge Raad oordeelt dat dit een schending is van het beginsel van hoor en wederhoor zoals neergelegd in art. 8 lid 9 Wet Pro Bopz en art. 19 Rv Pro.

De rechtbank heeft namelijk een essentieel verweer verworpen op basis van een verklaring waarop betrokkene en zijn raadsman niet mochten reageren. Hierdoor is de beschikking niet rechtmatig tot stand gekomen en moet deze worden vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Arnhem voor een nieuwe beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Arnhem.

Conclusie

R07/062HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 april 2007
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
Officier van Justitie te Arnhem
In deze Bopz-zaak wordt geklaagd over een schending van het beginsel van hoor- en wederhoor.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Op 26 januari 2007 heeft de officier van justitie in het arrondissement te Arnhem de rechtbank aldaar verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te verlenen. Bij het verzoekschrift was onder meer gevoegd een geneeskundige verklaring, op 25 januari 2007 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 3], "voor deze i.v.m. ziekte" ondertekend door de geneesheer-directeur [betrokkene 2].
1.2. Op 15 februari 2007 heeft het verhoor plaatsgevonden in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsman en, namens de behandelaar, de psycholoog [betrokkene 1]. Blijkens het proces-verbaal is eerst het woord gegeven aan betrokkene zelf, die het verzoek van de officier van justitie op inhoudelijke gronden heeft bestreden. Na een toelichting van [betrokkene 1] over de stoornis, het gevaar en de noodzaak van behandeling, heeft betrokkene in zijn standpunt volhard. Vervolgens heeft de raadsman van betrokkene het woord gekregen, die stelde dat het dossier is gebaseerd op gegevens uit het verleden en dat hij zich afvroeg waarop de stelling is gebaseerd dat er nu nog sprake is van gevaar.
1.3. [Betrokkene 1] heeft verwezen naar de geneeskundige verklaring en enige aanvullende informatie gegeven. Vervolgens heeft de raadsman wederom het woord gekregen en de vraag aan de orde gesteld of [betrokkene 3] betrokkene wel heeft onderzocht ten behoeve van de geneeskundige verklaring: "als dat niet zo is, vraag ik me af of een eventuele rechterlijke machtiging wel rechtmatig wordt afgegeven". Verder heeft hij betoogd dat het gevaar niet actueel is en aan de rechtbank verzocht het verzoek van de officier van justitie af te wijzen.
1.4. Vervolgens heeft [betrokkene 1] verklaard:
"Betrokkene heeft veel angsten. Onder invloed van behandeling is er minder bedreiging. Ik verwacht niet dat hij wegloopt, maar wel dat hij zich onttrekt aan behandeling. De aanvraag voor de rechterlijke machtiging is gedaan door [betrokkene 4], arts-assistent en de geneeskundige verklaring is opgemaakt door [betrokkene 3], psychiater. Hij heeft betrokkene ook onderzocht. Het gaat nu inderdaad beter met betrokkene. Dat zijn de vruchten die van de rechterlijke machtiging kunnen worden geplukt, zo blijkt uit de afgelopen twee maanden. De advocaat kan daar nu gebruik van maken."
De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal verzocht daarop te mogen reageren. De rechter antwoordde: "Nee. U heeft uw tweede termijn al gehad. Ik ga nu uitspraak doen".
1.5. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van een jaar.
1.6. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dit mede tot uitdrukking komt in art. 8 lid 9 Wet Pro Bopz, niet in acht heeft genomen doordat de rechtbank betrokkene en zijn raadsman niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van de door de behandelaar als laatste gemaakte, in alinea 1.4 hiervoor geciteerde, opmerkingen.
2.2. De regel van hoor en wederhoor is neergelegd in art. 19 Rv Pro. In het negende lid van art. 8, in verbinding met art. 17 lid Pro 2, Wet Bopz, is dienovereenkomstig bepaald dat de betrokkene of zijn raadsman in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken naar aanleiding van mededelingen en verklaringen van de personen, bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid van art. 8; daartoe behoort de instelling of psychiater die de betrokkene behandelt of begeleidt. Niet-nakoming van deze regel is eerder aanleiding geweest tot vernietiging van een Bopz-beschikking(1). Van het recht op een reactie kan afstand worden gedaan. Daarvan is in deze zaak geen sprake: de raadsman heeft uitdrukkelijk verzocht te mogen reageren.
2.3. Het beginsel van hoor en wederhoor vindt zijn grens daar waar het debat een keer tot een einde moet komen(2). De in het proces-verbaal gegeven motivering voor de weigering, te weten dat de raadsman al twee keer aan het woord was geweest, doet vermoeden dat de rechtbank het nu welletjes vond en van oordeel was dat betrokkene en zijn raadsman voldoende gelegenheid hadden gehad om het standpunt van betrokkene naar voren te brengen en zich uit te spreken over de inlichtingen die [betrokkene 1] ter zitting had gegeven. Het is waar, dat wanneer het partijdebat ontaardt in een herhaling van zetten, de voorzittende rechter de bevoegdheid heeft de mondelinge behandeling te sluiten. Toch kan deze bevoegdheid de bestreden beslissing niet verklaren.
2.4. Zowel het verweer m.b.t. de opsteller van de geneeskundige verklaring als het verweer m.b.t. het al of niet bestaan van `gevaar' (in de zin van art. 15 lid 2 Wet Pro Bopz) was aan te merken als een essentieel verweer in die zin dat het verweer, indien gegrond bevonden, in de weg stond aan toewijzing van het verzoek van de officier van justitie. De rechtbank heeft het eerstgenoemde verweer verworpen met de volgende motivering:
"(...) nu de behandelaar ter zitting heeft aangegeven dat de geneeskundige verklaring daadwerkelijk is afgegeven door [betrokkene 3] en dat ook hij het onderzoek heeft gedaan. Ook uit de verklaring zelf blijkt genoegzaam dat [betrokkene 3] betrokkene zelf heeft onderzocht. Er bestaat daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de mededeling in de geneeskundige verklaring dat [betrokkene 3] vanwege ziekte verhinderd was de geneeskundige verklaring mede te ondertekenen."
Hieruit volgt m.i. dat de rechtbank de verwerping van een essentieel verweer in belangrijke mate heeft gebaseerd op de in alinea 1.4 hiervoor geciteerde verklaring van [betrokkene 1] ter zitting (en niet uitsluitend op de gedingstukken of op hetgeen eerder ter zitting aan de orde was geweest en waarover betrokkene en zijn raadsman zich wel hebben kunnen uitspreken). Over de in alinea 1.4 geciteerde verklaring heeft betrokkene noch zijn raadsman zich mogen uitspreken. Dit voert tot de slotsom dat de rechtbank deze verklaring niet aan haar beslissing ten grondslag had mogen leggen. Om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Arnhem.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Zie bijv. HR 20 januari 1995, NJ 1995, 305; HR 16 april 1999, NJ 1999, 432; HR 5 november 1999, NJ 2000, 64; HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599. Zie ook: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 5.1 op art. 8 (W. Dijkers).
2 Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 1 en 5 op art. 19 (E.M. Wesseling-van Gent).