ECLI:NL:PHR:2007:BA3095
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling relatieve bevoegdheid rechtbank bij gelijktijdige vervolging medeverdachten
In deze zaak stond de vraag centraal welke rechtbank relatief bevoegd is bij gelijktijdige vervolging van medeverdachten voor hetzelfde strafbare feit. Verdachte werd samen met twee medeverdachten gedagvaard voor de rechtbank Haarlem. Hoewel tegen verdachte eerder een vordering tot bewaring was ingediend bij de rechtbank 's-Hertogenbosch, leidde dit niet tot onbevoegdheid van de rechtbank Haarlem.
De Hoge Raad benadrukte dat art. 6, tweede lid, Sv beoogt dat mededaders voor hetzelfde feit door dezelfde rechter worden behandeld, wat proceseconomie en gelijkheid in straftoemeting bevordert. De relatieve bevoegdheid wordt beoordeeld op het moment van aanvang van het rechtsgeding, oftewel wanneer de dagvaarding het parket verlaat.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat de rechtbank Haarlem onbevoegd zou zijn omdat de vervolging tegen verdachte eerder was aangevangen bij een andere rechtbank. Dit is in lijn met de wettelijke regeling die bepaalt dat bij gelijktijdige vervolging uitsluitend de rechter bevoegd is voor wie de mededaders worden vervolgd. Het middel van cassatie faalde, en de Hoge Raad verwierp het beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de rechtbank Haarlem om verdachte samen met medeverdachten te vervolgen ondanks eerdere vervolging bij een andere rechtbank.