ECLI:NL:PHR:2007:BA4122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geheimhoudingsbeding en beëindigingsovereenkomst in managementrelatie met concurrentiebeding
Deze zaak betreft een geschil tussen een damesconfectiebedrijf en een voormalige directeur die via zijn vennootschap een managementovereenkomst had met het bedrijf. Na verslechterde verhoudingen werd in 1999 een beëindigingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer een geheimhoudingsbeding was opgenomen. De directeur trad vervolgens in dienst bij een directe concurrent.
De eiseres vorderde betaling van vergoedingen uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst en stelde dat de directeur het geheimhoudingsbeding had geschonden door vertrouwelijke klantenlijsten te gebruiken bij de concurrent. Zij vorderde daarnaast ontbinding van de overeenkomst wegens dwaling, bedrog en onvoorziene omstandigheden.
Het hof oordeelde dat het geheimhoudingsbeding alleen betrekking heeft op bedrijfsspecifieke, gevoelige informatie en dat het gebruik van de klantenlijst een schending vormde, maar dat de gegevens ook elders beschikbaar waren en geen schade was aangetoond. De boete werd toegewezen zonder matiging. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de ontbinding betrof vanwege een onjuiste rechtsopvatting over stelplicht en bewijslast, en verwierp het principale cassatieberoep, maar wees het incidentele cassatieberoep toe en verwees de zaak terug.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest voor ontbinding, wijst incidenteel cassatieberoep toe en wijst boete toe wegens schending geheimhoudingsbeding.