ECLI:NL:PHR:2007:BA4914

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00465/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 73 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn bevestigd ondanks onduidelijkheid over betekening

In deze zaak werd verdachte bij verstek veroordeeld door de kantonrechter. Verdachte was zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar er werd een akte van uitreiking van het vonnis aan hem toegezonden, waarop hij voor ontvangst tekende. Verdachte stelde hoger beroep in na de beroepstermijn, waarna het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de termijn. Verdachte en zijn advocaat voerden aan dat er onduidelijkheid bestond over de betekening en dat verdachte niet wist dat het om twee verschillende vonnissen ging.

De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de niet-ontvankelijkheid niet onbegrijpelijk was, ondanks de onduidelijkheid over wat precies aan verdachte was betekend op 1 oktober 2003. De Hoge Raad stelde dat verjaring slechts kan leiden tot verval van het recht tot strafvordering indien dat recht nog bestaat. Indien het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring faalt, bestaat het recht tot strafvordering niet meer en is er geen sprake van verjaring.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het vonnis van de kantonrechter vernietigd zou worden en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou worden in de vervolging, omdat de termijn voor hoger beroep overschreden was en deze overschrijding niet verontschuldigbaar was. Daarmee blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het hof in hoger beroep in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Conclusie

Nr. 00465/06
Mr. Machielse
Zitting 8 mei 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Op 16 januari 2007 heeft de Hoge Raad in de onderhavige zaak een tussenarrest gewezen om mij in staat stellen mij alsnog uit te laten over het voorgestelde middel. De Hoge Raad heeft overwogen:
3.7. Bij de beantwoording van de vraag of het onderhavige feit is verjaard en het Openbaar Ministerie daarom alsnog niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging, moet worden vooropgesteld dat verjaring slechts dan kan leiden tot het verval van het recht tot strafvordering indien dat recht (nog) bestaat en dus teloor kan gaan. Dit brengt mee dat de in de art. 70-73 Sr vervatte verjaringsregels geen toepassing vinden indien de verdachte een gewoon rechtsmiddel heeft ingesteld tegen een rechterlijke uitspraak maar dit niet heeft gedaan binnen de daartoe in de wet gestelde termijn en die termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar is. In zo een geval wordt de uitspraak onherroepelijk na het verstrijken van die termijn en bestaat er ten aanzien van het berechte feit vanaf dan geen recht tot strafvordering meer dat door verjaring zou kunnen vervallen. Een andersluidende opvatting zou afbreuk doen aan het gezag van onherroepelijke rechterlijke uitspraken.
3.8. Wat betreft de onderhavige zaak betekent dit dat het recht tot strafvordering niet wegens verjaring is vervallen indien het cassatieberoep tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep niet slaagt.
In het middel was aangevoerd dat nergens uit blijkt dat verdachte op 1 oktober 2003 bekend was met het vonnis waarvan beroep. Daarom zou er geen sprake zijn geweest van overschrijding van de appeltermijn en had het hof verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep moeten verklaren.
2.1. Op 25 september 2002 heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage verdachte bij verstek veroordeeld. Op 28 november 2002 is een verstekmededeling aan de griffie van de rechtbank uitgereikt omdat de verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland was. Het dossier bevat voorts een begeleidend schrijven van de Belastingdienst/Douane Noord van 1 oktober 2003, gericht aan het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, waarin is vermeld dat een akte van uitreiking contra [verdachte] geb. [geboortedatum].1957 te [geboorteplaats] aan het parket wordt toegezonden en dat het vonnis hem werd medegedeeld en uitgereikt waarna hij voor ontvangst heeft getekend. Als kenmerk noemt deze brief 09/160389-01, het parketnummer van de zaak tegen verdachte bij het kantongerecht. Aangehecht is ook nog een akte van uitreiking waarin verbalisant mededeelt dat door hem aan [verdachte] iets is uitgereikt betreffende parketnummer 09/160389-01. Voorts heeft nogmaals een vergelijkbare uitreiking plaatsgevonden op 19 februari 2004.
Verdachte heeft op 2 maart 2004 hoger beroep doen instellen. Op 27 juni 2005 is verdachte, vergezeld van een advocaat, ter terechtzitting van het hof te 's-Gravenhage verschenen. Verdachte heeft verklaard dat er onduidelijkheid bestond over het compasnummer van de zaak omdat er tegelijkertijd twee zaken liepen over dezelfde auto. Daarop heeft de raadsheer het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor onbepaalde tijd om verdachte in de gelegenheid te stellen de correspondentie die hij zei te hebben gevoerd over te leggen. Op 11 oktober 2005 is het onderzoek hervat. Verdachte is wederom met zijn advocaat verschenen. Verdachte heeft wederom verklaard dat hij de eerste keer dat hij bij de grensovergang is aangehouden en toen een geldboete heeft betaald. Hij zou toen een brief hebben geschreven naar het parket met het verzoek de achterliggende stukken toe te zenden. Later is hij nog een keer aangehouden, heeft toen weer gebeld met het parket en heeft toen pas de verbanden weten te leggen. Eerst daarna heeft hij het vonnis en procesverbaal ontvangen waaruit bleek dat er ook nog een ontzegging van de rijbevoegdheid was opgelegd. De advocaat van verdachte heeft zich beroepen op onduidelijkheid en betoogd dat verdachte zich niet heeft gerealiseerd dat het om twee vonnissen ging.
Op 11 oktober 2005 heeft het hof verdachte niet ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat verdachte op 1 oktober 2003 bekend zou zijn geweest met het vonnis waarvan beroep nu dit op die datum aan hem zou zijn betekend. Nu verdachte eerst op 2 maart 2004 hoger beroep heeft ingesteld heeft hij dit na verloop van de appeltermijn gedaan en is daarom niet ontvankelijk in het beroep.
2.2. Eerlijk gezegd is mij nog steeds niet duidelijk wat nu precies op 1 oktober 2003 aan verdachte zou zijn uitgereikt. Er is wel een mededeling uitspraak voorhanden maar die is kennelijk gehecht aan de akte van uitreiking van 28 november 2002. Deze onduidelijkheid maakt naar mijn mening de controle op de beslissing van het hof onmogelijk. Het gaat er immers om dat de verstrekte gegevens reeds van dien aard zijn dat zij de verdachte in voldoende mate op de hoogte stellen van wat voor zijn besluitvorming ten aanzien van het instellen van hoger beroep van belang is.(1) Indien aan de akte van uitreiking van 1 oktober 2003 een mededeling uitspraak zou zijn gehecht zou dit natuurlijk anders zijn.
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het arrest van het hof op grond van die onduidelijkheid zou moeten worden vernietigd, ware het niet dat inmiddels de termijn van de vervolgingsverjaring is verstreken.
3. Deze conclusie strekt er wederom toe dat de Hoge Raad het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en de officier van justitie niet ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 7 december 2004, NJB 2005, blz. 174, nr. 55.