ECLI:NL:PHR:2007:BA4914
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn bevestigd ondanks onduidelijkheid over betekening
In deze zaak werd verdachte bij verstek veroordeeld door de kantonrechter. Verdachte was zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, maar er werd een akte van uitreiking van het vonnis aan hem toegezonden, waarop hij voor ontvangst tekende. Verdachte stelde hoger beroep in na de beroepstermijn, waarna het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de termijn. Verdachte en zijn advocaat voerden aan dat er onduidelijkheid bestond over de betekening en dat verdachte niet wist dat het om twee verschillende vonnissen ging.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de niet-ontvankelijkheid niet onbegrijpelijk was, ondanks de onduidelijkheid over wat precies aan verdachte was betekend op 1 oktober 2003. De Hoge Raad stelde dat verjaring slechts kan leiden tot verval van het recht tot strafvordering indien dat recht nog bestaat. Indien het cassatieberoep tegen de niet-ontvankelijkverklaring faalt, bestaat het recht tot strafvordering niet meer en is er geen sprake van verjaring.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het vonnis van de kantonrechter vernietigd zou worden en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou worden in de vervolging, omdat de termijn voor hoger beroep overschreden was en deze overschrijding niet verontschuldigbaar was. Daarmee blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het hof in hoger beroep in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.