ECLI:NL:PHR:2007:BA5617
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van de OvJ wegens afwezigheid opgeëiste persoon in uitleveringszaak
De Rechtbank Maastricht wees op 5 december 2006 het uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije af en verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar. De Officier van Justitie stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
Tijdens de procedure bleek dat de opgeëiste persoon na ontslag uit uitleveringsdetentie en een afgewezen asielaanvraag Nederland had verlaten. Een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gaf aan dat de persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zou worden overgedragen. Een overzicht van februari 2007 bevestigde dat er geen adres van hem in Nederland bekend was en dat hij niet in Nederland was gedetineerd.
De Hoge Raad concludeerde dat de grondslag voor het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek was komen te vervallen omdat de opgeëiste persoon niet beschikbaar was voor uitlevering. Daarom verklaarde de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk werd behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk omdat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft.