ECLI:NL:PHR:2007:BA5617

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00331/07 U
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van de OvJ wegens afwezigheid opgeëiste persoon in uitleveringszaak

De Rechtbank Maastricht wees op 5 december 2006 het uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije af en verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar. De Officier van Justitie stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Tijdens de procedure bleek dat de opgeëiste persoon na ontslag uit uitleveringsdetentie en een afgewezen asielaanvraag Nederland had verlaten. Een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gaf aan dat de persoon op 13 december 2006 aan Frankrijk zou worden overgedragen. Een overzicht van februari 2007 bevestigde dat er geen adres van hem in Nederland bekend was en dat hij niet in Nederland was gedetineerd.

De Hoge Raad concludeerde dat de grondslag voor het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek was komen te vervallen omdat de opgeëiste persoon niet beschikbaar was voor uitlevering. Daarom verklaarde de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering, waardoor het cassatieberoep niet inhoudelijk werd behandeld.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk omdat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft.

Conclusie

Nr. 00331/07 U
Mr. Bleichrodt
Zitting 15 mei 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[opgeëiste persoon]
1. De Rechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 5 december 2006 de door de Republiek Turkije verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] ter strafvervolging ontoelaatbaar verklaard.
2. De Officier van Justitie bij die Rechtbank heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. De vraag is of de Officier van Justitie niet alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat de opgeëiste persoon zich inmiddels in het buitenland bevindt of in Nederland onvindbaar is.(1)
4. De Rechtbank heeft bij haar uitspraak de uitleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] met ingang van de datum van de uitspraak opgeheven. Blijkbaar is de betrokkene daarna in vreemdelingenbewaring genomen. Bij de stukken van het geding bevindt zich namelijk een brief van de IND van 12 december 2006 gericht aan de Rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, afdeling vreemdelingenrecht, betrekking hebbende op de "bewaringszitting van 13 december 2006" betreffende de opgeëiste persoon, die inhoudt dat de betrokkene woensdagochtend om 8.00 uur aan Frankrijk zal worden overgedragen (Schiphol-Parijs).(2) De cassatieschriftuur houdt in dat aan dat voornemen ook gevolg is gegeven. Gelet op het voorgaande zal het ervoor gehouden moeten worden dat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevindt en dat Nederland niet in staat zal zijn hem ter beschikking te stellen van de autoriteiten van de verzoekende Staat. Dat brengt mee dat aan de inleidende vordering van de Officier van Justitie tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek de grondslag is komen te ontvallen, zodat de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn inleidende vordering. Dat betekent dat ik niet toekom aan de bespreking van het middel.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn inleidende vordering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 HR 15 maart 1988, NJ 1988, 1004, HR 15 november 1988, NJ 1989, 758. HR 6 december 2005, NJ 2006, 482.
2 Die brief is gehecht aan de brief van de raadsman van 13 maart 2007, waarin deze reageert op de cassatieschriftuur.