ECLI:NL:PHR:2007:BA5806
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beslagverbod op gereedschappen van ambachtslieden bij faillissement
Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad zijn faillissementen uitgesproken van een vennootschap onder firma en haar firmanten, die timmermanswerkzaamheden verrichtten. De curator wilde de gereedschappen van de ambachtslieden verkopen, maar de failliet verklaarden verzochten dit te verbieden op grond van het beslagverbod in art. 21 Fw Pro jo. art. 447 Rv Pro, dat persoonlijke gereedschappen van ambachtslieden buiten het faillissement houdt.
De rechter-commissaris en rechtbank wezen dit verzoek af, stellende dat het beslagverbod alleen geldt als de gereedschappen noodzakelijk zijn om in het levensonderhoud te voorzien. Nu twee firmanten in loondienst waren getreden en geen eigen gereedschap nodig hadden, viel het beslagverbod niet meer toe. Het enkele voornemen om na faillissement als zelfstandige te werken bood geen bescherming.
In cassatie werd betoogd dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had, maar de Hoge Raad oordeelde dat het beslagverbod restrictief moet worden uitgelegd en alleen geldt voor gereedschappen die noodzakelijk zijn voor het levensonderhoud op het moment van faillietverklaring. Het doel is het voorkomen van onnodige hardheid jegens de schuldenaar, niet het beschermen van toekomstige zelfstandige activiteiten.
De Hoge Raad verklaarde de vennootschap niet-ontvankelijk in cassatie en verwierp het beroep voor zover ontvankelijk. Het arrest bevestigt dat het beslagverbod niet ziet op het behoud van gereedschappen voor toekomstige zelfstandige arbeid na faillissement.
Uitkomst: Het verzoek om de curator te verbieden de gereedschappen te verkopen werd afgewezen; het beslagverbod geldt niet voor gereedschappen die niet meer noodzakelijk zijn voor levensonderhoud.