ECLI:NL:PHR:2007:BA6237
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over achterstallig salaris na ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiser was sinds 1994 in dienst bij Art Tower en ontving per 1 januari 2003 een salarisverhoging onder voorwaarde van een geconsolideerd resultaat van minimaal € 100.000,-. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 16 juli 2003 hield Art Tower een bedrag van € 3.159,- in op de beëindigingsvergoeding wegens het niet behalen van deze voorwaarde.
Eiser vorderde betaling van dit bedrag, terwijl Art Tower een reconventionele vordering instelde tot terugbetaling van teveel betaalde bedragen. De kantonrechter wees de vordering van eiser af en verwierp de reconventionele vordering op grond dat de voorwaarde niet was vervuld. Het hof bekrachtigde dit oordeel.
In cassatie stelde eiser dat de reconventionele vordering niet tijdig en voldoende was toegelicht, en dat het proces-verbaal onjuist was geïnterpreteerd, met schending van procesregels en het recht op een eerlijk proces. De Hoge Raad oordeelde dat Art Tower haar vordering tijdig had ingesteld en toegelicht, eiser voldoende gelegenheid had gehad om te reageren, en dat het hof niet buiten de rechtsstrijd was getreden. Ook was de uitleg van het proces-verbaal begrijpelijk en was geen schending van het recht op een eerlijk proces vastgesteld.
De Hoge Raad concludeerde dat de cassatieklachten falen en verwierp het beroep, waarmee het arrest van het hof stand houdt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.