ECLI:NL:PHR:2007:BA6244
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en verrekening teruggave inkomstenbelasting
De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen man en vrouw na hun echtscheiding. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en hadden geen echtscheidingsconvenant. De rechtbank en het hof stelden de peildatum voor de vaststelling van de gemeenschap vast op 11 juli 2000, de datum waarop partijen feitelijk uit elkaar gingen.
De man stelde in hoger beroep dat een bedrag van € 26.773,03 dat de vrouw op 8 juli 2000 van een gezamenlijke spaarrekening had opgenomen, verrekend moest worden omdat dit bedrag nog tot het huwelijksvermogen behoorde. Het hof oordeelde dat de vrouw aannemelijk had gemaakt dat dit bedrag was besteed aan noodzakelijke kosten van de huishouding, welke kosten volgens art. 1:84 BW Pro ten laste van het gemeenschappelijke inkomen komen, en wees verrekening af.
De vrouw had een teruggave inkomstenbelasting over 2001 ontvangen, die het hof tussen partijen wilde verrekenen. De Hoge Raad oordeelde dat deze teruggave betrekking had op een periode na de peildatum en was uitbetaald na de peildatum, zodat deze niet tot de gemeenschap behoorde en niet verrekend hoefde te worden.
De Hoge Raad verwierp het principale cassatieberoep van de man en verklaarde het incidentele cassatieberoep van de vrouw gegrond, vernietigde het hofsoordeel over de verrekening van de teruggave IB 2001 en deed zelf af door de verrekening af te wijzen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofsoordeel over de verrekening van de teruggave IB 2001 en wijst verrekening daarvan af; overige verdeling wordt bevestigd.