ECLI:NL:PHR:2007:BA6269
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Natuurlijke verbintenis bij legaat recht van gebruik en bewoning aan levenspartner
Deze zaak betreft een geschil tussen de kinderen van een overleden erflater en diens levenspartner over de vraag of het legaat aan de levenspartner van een zakelijk recht van gebruik en bewoning van het huis is gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. De erflater had zijn twee zoons als erfgenamen benoemd en aan zijn levenspartner het recht van gebruik en bewoning gelegateerd. Na zijn overlijden werd het huis executoriaal verkocht wegens niet-nakoming van hypotheekverplichtingen, waardoor de levenspartner het huis moest verlaten.
De levenspartner vorderde vergoeding van de waarde van het legaat, stellende dat dit legaat een natuurlijke verbintenis betrof en de erfgenamen onrechtmatig hadden gehandeld door de hypotheeklasten niet te voldoen. De erfgenamen betwistten dit en verwezen naar de wettelijke voorrangsregels en het ontbreken van een natuurlijke verbintenis.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het legaat niet als voldoening aan een natuurlijke verbintenis kan worden aangemerkt, omdat de levenspartner onvoldoende gegevens had aangevoerd over wederzijdse welstand en behoefte. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de objectieve maatstaf van wederzijdse welstand en behoefte bepalend is, ook bij ongehuwd samenwonenden, en dat het enkele feit van samenwoning en relatie niet automatisch een natuurlijke verbintenis impliceert.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het legaat geen natuurlijke verbintenis betrof, waardoor de erfgenamen niet verplicht waren de hypotheeklasten te voldoen of de executoriale verkoop te voorkomen.
Uitkomst: Het legaat aan de levenspartner is niet gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, waardoor de erfgenamen niet verplicht waren de hypotheeklasten te voldoen of executoriale verkoop te voorkomen.