ECLI:NL:PHR:2007:BA6308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitleveringsvonnis wegens onvoldoende onderzoek ne bis in idem-beginsel
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van Noorwegen aan Nederland voor een persoon verdacht van deelname aan een criminele organisatie en invoer van grote hoeveelheden verdovende middelen tussen 2003 en 2006. De verdachte was eerder vrijgesproken door een Belgische rechtbank voor eenzelfde feit, waarop hij zich beroept met een ne bis in idem-verweer.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering toelaatbaar, stellende dat niet was gebleken dat het Belgische vonnis onherroepelijk was. De verdediging voerde aan dat het vonnis wel degelijk onherroepelijk was, maar dit werd door de rechtbank zonder nader onderzoek verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank dit verweer niet zonder nader onderzoek had mogen afwijzen, omdat het vonnis een ernstig vermoeden opriep dat uitlevering deels niet toelaatbaar was.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad andere middelen, waaronder de beoordeling van de toereikendheid van de stukken, de plaatsaanduiding in het uitleveringsverzoek, en het vermoeden van schuld. Deze werden grotendeels verworpen. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis voor zover het uitlevering toelaatbaar verklaarde voor de invoer op 19 oktober 2003 en bepaalt de dag van feitelijke behandeling van het verzoek door de Hoge Raad, met verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis voor zover de uitlevering toelaatbaar werd verklaard voor de invoer op 19 oktober 2003 wegens onvoldoende onderzoek naar onherroepelijkheid van het Belgische vonnis.