ECLI:NL:PHR:2007:BA7027
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekening kosten gezamenlijke huishouding bij ontbonden huwelijk met uitsluiting gemeenschap
Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap, zijn gescheiden. De man investeerde in de verbouwing van de woning van de vrouw en vorderde vergoeding, terwijl de vrouw vergoeding van door haar gedragen kosten van de gezamenlijke huishouding verlangde. Het hof oordeelde dat de man recht heeft op nominale vergoeding van zijn investering, maar niet op een deel van de overwaarde, en wees de vermeerdering van het verzoek van de vrouw buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.
De vrouw stelde principaal cassatieberoep in tegen het buiten beschouwing laten van haar vermeerderde verzoek, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het hof ambtshalve mocht toetsen aan de goede procesorde. De man stelde incidenteel cassatieberoep in tegen het oordeel dat geen vergoeding van meerwaarde toekomt, maar dit werd verworpen omdat onvoldoende feiten waren gesteld die dit rechtvaardigen en een vermeende impliciete toezegging van de vrouw niet in cassatie kan worden aangenomen.
De Hoge Raad bevestigde hiermee de grenzen aan eisvermeerdering in hoger beroep en de noodzaak van feitelijke onderbouwing voor vergoeding op grond van redelijkheid en billijkheid bij investeringen in eigendom van de andere echtgenoot.
Uitkomst: Het principaal cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het incidenteel cassatieberoep verworpen.