Parketnummer 01/053114-04 primair en parketnummer 01/044536-04 feit I primair:
Bij de bepaling van de op te leggen maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
In het algemeen overweegt het hof daarbij dat ten bezware van de verdachte rekening wordt gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt het hof ten bezware van de verdachte rekening met het gewelddadig karakter van het door verdachte onder 01/053114-04 ten laste gelegde gepleegde strafbare feit, waarbij verdachte er niet voor is teruggeschrokken om geweld te gebruiken tegen het slachtoffer waarvan het slachtoffer nog dagelijks de gevolgen ondervindt. Daarbij heeft verdachte zich op geen enkel moment bekommerd om het lot van het slachtoffer.
Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit het justitiële documentatie werd verdachte voor een feit, soortgelijk aan het gepleegde feit onder I primair van parketnummer 01/044536- 04, veroordeeld en wel in 2003.
Het hof zal aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een jeugdinrichting opleggen en overweegt daarbij in het bijzonder nog het navolgende.
Op 4 mei 2005 heeft de klinisch psycholoog drs.J.F.G.M. van Nunen een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Verdachte weigerde zijn medewerking. Rapporteur heeft eenmaal met verdachte gesproken en ook met de groepsleider van "Het Poortje" waar verdachte destijds was gedetineerd. Voorts heeft hij zijn rapportage gebaseerd op rapporten van onder andere de jeugdreclassering en van de Raad van de Kinderbescherming en een observatierapport opgemaakt in "Het Poortje". De voorlopige conclusie in dat rapport luidt:
"Op grond van de gegevens, die door de onderzoeker bij zijn onderzoek van 9-13 maart 2005 verzameld zijn en die welke nu in het geciteerde op vorige bladzijden naar voren komen kan volgend beeld verondersteld worden:
achter het cover van een sociaal wenselijke en quasi aangepaste opstelling gaat een afwerende en gesloten jongen schuil, die eerder delicten heeft gepleegd, die geneigd is te extrenaliseren, eventuele schuld aan zijn omgeving of aan anderen te delegeren en verantwoordelijkheid ervoor te ontgaan. Het is een berekenende en manipulerende jongen, die snel in zijn ego is aangetast en dan dreigend, heftig en agressief naar buiten toe kan afreageren, er is gebrek aan impulscontrole.
Er zijn aanwijzingen voor een dreigende ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, paranoïde en antisociale kenmerken. Indien het aan betrokkene ten laste gelegde bewezen kan worden dan dient gezien het wederom in aanraking komen met justitie, de ernst van het huidige misdrijf en het harde ontkennen ervan voor recidive van soortgelijke of andere strafbare feiten gevreesd te worden en zal om de kans op recidive te voorkomen behandeling overwogen dienen te worden."
Op 23 februari 2005 heeft de psychiater G.A.H. Bonroy middels een brief kenbaar gemaakt dat hij niet in staat is geweest een rapport omtrent de verdachte uit te brengen. Verdachte was namelijk niet bereid om enige medewerking te verlenen en wilde de psychiater niet te woord staan.
Op 18 mel 2005 heeft de raad voor de kinderbescherming, in de persoon van Spape, raadsonderzoekster, een rapport uitgebracht waarin de uitkomsten staan vermeld van het basisonderzoek en strafadvies. Kort en zakelijk weergegeven bevat dit rapport de volgende conclusie:
"Verdachte is al meerdere keren met de politie in aanraking geweest, maar wil niet uitkomen voor delicten die hij heeft gepleegd. Hij weigert om met allerlei instanties te spreken en als hij wel met hen spreekt laat hij een sociaal wenselijke houding zien. Echter, achter deze houding schuilt een jongen die heel goed weet waar hij mee bezig is en daardoor een gevaar voor de maatschappij is. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat [verdachte] geen reëel beeld heeft van de maatschappij waarin wij leven en denkt zaken op te lossen via geweld en bedreiging. De raad van de kinderbescherming acht de kans op herhaling erg groot. Bovendien is de Raad van mening dat behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is. Mogelijk dat er in de houding en gedrag van verdachte nog het een en ander te behandelen is.
Er is weliswaar tot nu toe geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek gedaan (omdat verdachte zijn medewerking weigert), maar er zijn evidente belastende feiten en een vermoeden van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling.
Als hij voor de verdenking niet kan worden veroordeeld, blijft deze zorg bestaan. Als zijn betrokkenheid wel kan worden bewezen cq aannemelijk is en hij wordt veroordeeld, is de ernst van zijn gedrag (ontkennen, tegenwerken, wraakzucht etc.) kwadratisch groter.
In beide gevallen acht de Raad voor de Kinderbescherming plaatsing in een gesloten setting in het kader van een PIJ-maatregel noodzakelijk."
Ter terechtzitting in hoger beroep op 14 december 2005 heeft de raadsonderzoekster Spape als getuige-deskundige gehoord onder meer verklaard nog volledig te staan achter de inhoud van voornoemd rapport en de hiervoor weergegeven conclusie. Zij benadrukte dat er bij verdachte een steeds terugkerend patroon aanwezig is, waarbij verdachte sociaal-wenselijk gedrag laat zien, een berekenende opstelling inneemt en ... zijn eigen gang gaat. Voorts achtte de raadsonderzoekster de kans op herhaling erg groot omdat de verdachte herhaaldelijk heeft aangegeven dat wanneer hij vrij komt, hij wraak zal nemen.
Het hof neemt vorenstaande conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de zijne.
Mede gezien het advies van voornoemde deskundigen en mede gehoord de raadsonderzoekster Spape ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede gelet op de indruk die het hof zich ter terechtzitting heeft gevormd omtrent de persoon van de verdachte, acht het hof onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen passend en noodzakelijk.
Het onder parketnummer 01/053114-041 en onder parketnummer 01/044536-04 feit I primair bewezenverklaarde betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
De veiligheid van anderen eist het opleggen van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.