ECLI:NL:PHR:2007:BA7558
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van overgangsrecht bij vordering tot verval van instantie na cassatie en verwijzing
Deze zaak betreft de vraag welk procesrecht van toepassing is op een vordering tot verval van instantie in een geding dat na cassatie en verwijzing voortgezet wordt. De Hoge Raad bevestigt dat het procesrecht van vóór 1 januari 2002 geldt, ook als de zaak op die datum nog niet aanhangig was bij het verwijzingshof.
Het geschil ontstond nadat eiser tot cassatie had aangezegd dat de procedure meer dan drie jaar niet was voortgezet sinds het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002. Eiser vorderde verval van de instantie op grond van art. 279 (oud) Rv. Het hof oordeelde dat het nieuwe procesrecht van toepassing was, omdat de zaak op 1 januari 2002 nog niet aanhangig was bij het hof. Dit oordeel werd aangevochten in cassatie.
De Hoge Raad stelt dat de procedure na cassatie en verwijzing wordt beschouwd als de voortzetting van een onvoltooide appelinstantie, waardoor het begrip “verdere behandeling” in art. VII lid 1 NRv. van toepassing is. Dit betekent dat het oude procesrecht blijft gelden totdat de instantie wordt afgesloten met een eindvonnis of eindarrest. De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en beslist dat het oude procesrecht van toepassing is op de vordering tot verval van instantie. Omdat de procedure meer dan drie jaar stil heeft gelegen zonder voortzetting, moet de vervallenverklaring worden uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat het oude procesrecht van vóór 1 januari 2002 geldt en spreekt de vervallenverklaring van de instantie uit wegens niet-voortzetting van de procedure.