ECLI:NL:PHR:2007:BA7643
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onbegeleide omgangsregeling tussen vader en minderjarig kind
De zaak betreft een geschil tussen voormalig samenwonende partners over de omgangsregeling tussen de vader en hun minderjarige kind. De vader, woonachtig in de Verenigde Staten, verzocht de rechtbank om vervangende toestemming tot erkenning van het kind en om een omgangsregeling vast te stellen. De moeder verzette zich, onder meer uit angst voor ontvoering en vanwege het belang van het kind.
De rechtbank stelde een omgangsregeling vast en legde een dwangsom op aan de moeder bij niet-naleving. De moeder ging in hoger beroep en verzocht onder meer om begeleiding bij de omgang en nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde een omgangsregeling vast, waarbij het contact driemaandelijks plaatsvond en onbegeleid was. Het hof vond geen noodzaak voor nader onderzoek of begeleiding.
De moeder stelde cassatie in, stellende dat het hof onvoldoende gemotiveerd had beslist en onvoldoende rekening had gehouden met de psychologische rapporten en het risico op ontvoering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de grieven voldoende had behandeld, dat het oordeel niet onbegrijpelijk was en dat het hof niet verplicht was nader onderzoek te gelasten. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de onbegeleide omgangsregeling tussen vader en kind.