ECLI:NL:PHR:2007:BA7658
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak primair tenlastegelegde en veroordeling subsidiaire schuldheling na onvoldoende bewijs
De verdachte werd door het gerechtshof vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De aangeefster had bij haar aangifte geen betrouwbaar signalement kunnen geven van haar belagers, hetgeen het hof overnam in haar oordeel.
Het openbaar ministerie had tijdens het hoger beroep een subsidiaire vordering ingediend om de aangeefster als getuige te horen indien er twijfel zou bestaan over de herkenning van verdachte. Deze vordering werd door het hof niet als een formele vordering opgevat, mede vanwege de vrijblijvende formulering "het verdient aanbeveling".
De advocaat-generaal stelde in cassatie dat het hof ten onrechte niet op deze vordering was ingegaan, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze vordering onvoldoende stellig en ondubbelzinnig was geformuleerd om als een verzoek in de zin van art. 330 juncto Pro art. 415 Sv Pro te gelden. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de vrijspraak van het primair tenlastegelegde wegens onvoldoende bewijs.