ECLI:NL:PHR:2007:BA7663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt motivering geldboete bij handel in verdovende middelen zonder draagkrachtverweer
In deze zaak stond de strafoplegging centraal na een veroordeling voor handel in verdovende middelen. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee voorwaardelijk, en een geldboete van €10.000. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze boete passend was, vooral omdat geen draagkrachtverweer was gevoerd.
De Hoge Raad overwoog dat het hof bij de strafoplegging vrij is in de waardering van factoren en dat cassatie slechts kan ingrijpen bij onbegrijpelijke motivering of disproportionaliteit. Hoewel bij een gevoerd draagkrachtverweer een strengere motiveringsplicht geldt, is het volgens de Hoge Raad voldoende dat het hof in de strafmotivering aangeeft rekening te hebben gehouden met de draagkracht, ook als geen verweer is gevoerd.
Het hof had bovendien de verdachte gelegenheid gegeven zijn financiële situatie toe te lichten, waarbij bleek dat hij geen werk had, maar dat dit niet automatisch betekent dat hij geen draagkracht heeft. De omvang van de aangetroffen drugs werd gezien als handelshoeveelheid, wat impliceert dat de verdachte financieel voordeel had. De Hoge Raad achtte de motivering van het hof daarom toereikend en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de geldboete van €10.000 en de gevangenisstraf van vier maanden waarvan twee voorwaardelijk.