ECLI:NL:PHR:2007:BA7911

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02077/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8j OpiumwetArt. 8k OpiumwetArt. 9 OpiumwetArt. 5:11 AwbArt. 5:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijsmotivering opzet invoer cocaïne

De zaak betreft een verdachte die op 25 maart 2005 op Schiphol werd betrapt met een sporttas waarin cocaïne was aangetroffen tijdens een 100%-controle uitgevoerd door douaneambtenaren. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte opzettelijk cocaïne had ingevoerd en baseerde dit op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte en proces-verbalen van de Koninklijke Marechaussee.

De verdediging voerde aan dat de 100%-controle onrechtmatig was omdat deze niet op een verdenking was gebaseerd en dat het bewijs daardoor onrechtmatig verkregen was. De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke grondslag voor de controle voldoende is en dat de bevoegdheden van de douaneambtenaren correct waren toegepast.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat het hof onjuist had aangenomen dat de verdachte de tas op verzoek van een ander vervoerde, terwijl uit het bewijs slechts bleek dat zij de tas had geleend. Deze onjuiste feitelijke aanname was van voldoende belang om de bewijsmotivering voor het opzet te schaden. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.

De overige middelen van cassatie werden verworpen, waaronder de klachten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring en de schending van privacyrechten. De Hoge Raad bevestigde dat de douanecontrole op Schiphol een toereikende wettelijke basis heeft en dat het bewijs niet uitgesloten hoeft te worden.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 02077/06
Mr. Vellinga
Zitting: 19 juni 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. M.M. Caupain, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. De eerste vier middelen richten zich alle tegen de verwerping van ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van de bewijsgaring tegen de verdachte.
4. Het gaat in de onderhavige zaak om een door ambtenaren van de douane uitgevoerde 100%-controle op Schiphol, waarbij passagiers en hun bagage op vluchten afkomstig uit het Caraïbisch gebied worden onderworpen aan een uitgebreide controle op de aanwezigheid van verboden middelen. Ook de verdachte is aan een dergelijke controle onderworpen. Daarbij is in de bodemplaat van de door haar vervoerde sporttas, een stof bevattende cocaïne aangetroffen.
5. Het Hof heeft - voor zover hier van belang - in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:
"Ter terechtzitting gevoerde verweren
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het bewijs is verkregen door onbevoegd douaneoptreden dan wel optreden zonder wettelijke grondslag en dat hierdoor van dit bewijs geen gebruik mag worden gemaakt en dient te worden uitgesloten, aangezien de verdachte door dit optreden in haar belang is geschaad en dat door het optreden van de douane het daarop volgende optreden van de Koninklijke Marechaussee fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden.
De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat het vermoeden van de douane dat de door verdachte meegebrachte flessen en de bodem van haar tas cocaïne bevatte, geen redelijke verdenking is dan wel een vermoeden is dat gelijk kan worden gesteld als voldoende feiten en omstandigheden waarop een redelijke verdenking in de zin van artikel 27 Sv Pro kan worden gebaseerd, waardoor de vruchten verkregen door de onredelijke verdenking dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Door haar ten onrechte aan te merken als verdachte is de verdachte onherstelbaar in haar belangen geschaad, aldus de raadsvrouw.
Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. In artikel 8j Opiumwet worden onder meer de ambtenaren van de belastingdienst, bevoegd inzake douane, aangewezen als toezichthouders op de naleving van de Opiumwet. Afdeling 5.2 Awb bevat een algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, waaronder de bevoegdheid zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen, alsmede de bevoegdheid daartoe verpakkingen te openen. In artikel 8k Opiumwet is bepaald dat onder meer de in artikel 8j Opiumwet genoemde ambtenaren, belast zijn met het opsporen van de feiten, strafbaar gesteld in de Opiumwet. Ingevolge artikel 9 Opiumwet Pro zijn opsporingsambtenaren -voor zover hier relevant- bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bewaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken en zijn zij te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Bovengenoemde bepalingen bieden voldoende grondslag voor de jegens de verdachte uitgeoefende bevoegdheden."
6. Ik meen de in de middelen geponeerde stellingen als volgt te mogen samenvatten. De Douanewet vormt een ongenoegzame basis voor de 100%-controles door douaneambtenaren op Schiphol. Daarom had de verdachte niet aan die controle mogen worden onderworpen en is het uit die controle voortgevloeide bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen. Dat moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens détournement de pouvoir, subsidiair tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak. De overweging van het Hof dat art. 8j van de Opiumwet wél een genoegzame basis biedt, is onjuist omdat, gelet op het bepaalde in art. 8k Ow verdenking ter zake van een strafbaar feit vereist is en voorts art. 8k niet met voldoende nauwkeurigheid aangeeft welke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer bij opsporing mogen worden gemaakt. Voorts wordt nog geklaagd dat het onderzoek van de bagage dat zonder deugdelijke wettelijke basis is uitgevoerd een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte betekent.
7. Het Hof heeft in antwoord op het betoog van de raadsvrouw dat het bewijs is verkregen door onbevoegd douane-optreden overwogen, dat de grondslag voor de jegens de verdachte uitgeoefende bevoegdheden is te vinden in art. 8j, 8k en 9 Opiumwet alsmede in afdeling 5.2 Awb voor wat betreft de bevoegdheid zaken te onderzoeken etc. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder ook niet voor zover daarin besloten ligt dat voor toepassing van de in art. 8j Douanewet gegeven controlebevoegdheid geen verdenking ter zake van enig strafbaar feit vereist is.. Ook de klacht dat het onderzoek zonder deugdelijke wettelijke basis is uitgevoerd en daarmee een schending van art. 8 EVRM Pro oplevert, moet falen omdat deze wettelijke grondslag er, zoals door het Hof op goede gronden uiteengezet, wel is. In dit verband wijs ik nog op art. 5:18 Awb Pro waarin een gedetailleerde regeling is te vinden welke onderzoeksbevoegdheden een toezichthouder, als hoedanig een op basis van art. 8j Ow optredende ambtenaar gelet op het bepaalde in art. 5:11 Awb Pro kan worden aangemerkt, heeft.
8. Aan de stelling dat het onderzoek aan de bagage van de verdachte als een doorzoeking - en daarmee een opsporingshandeling - moet worden aangemerkt moet voorbij worden gegaan, reeds omdat een beroep op feiten en omstandigheden wordt gedaan, die niet voor het eerst in cassatie kunnen worden aangevoerd. Overigens geeft die stelling blijk van een onjuiste opvatting omtrent de inhoud van het begrip doorzoeking; vgl. art. 96c e.v. Sv.
9. De eerste vier middelen falen.
10. Het vijfde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ongenoegzaam met redenen is omkleed omdat het opzet op het invoeren van cocaïne niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
11. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op 25 maart 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I."
12. De bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen:
1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 maart 2005 gesloten proces-verbaal, dossiernummer PL278C/05-027167, van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1 en 2], beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee District Schiphol. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen en/of verrichtingen van verbalisanten voormeld:
Op 25 maart 2005 vond een verscherpte controle plaats op vlucht HXL 362 vanuit Curaçao. Tijdens deze controle werd verdachte aangehouden als verdachte van vermoedelijke overtreding van artikel 2 abc Pro van de Opiumwet.
Verdachte was die dag met vlucht HXL 362 vanuit Curaçao op de luchthaven Schiphol gearriveerd. Tijdens de controle was er door personeel van de douane in een sporttas, merk Nike kleur zwart, van verdachte een pakket en twee flesjes, meerkleurig van het merk Savlon, aangetroffen waarin zich vermoedelijk cocaïne bevond. De desbetreffende sporttas was als ruimbagage ingecheckt en als zodanig door verdachte met zich meegevoerd.
Aan de zwarte sporttas was een bagagelabel bevestigd, voorzien van het nummer [001]. Verdachte was onder meer in het bezit van een claimtag met het nummer [001].
De in de zwarte tas aangetroffen bodemplaat is pakket A genoemd.
Pakket A is nader onderzocht. Na verwijdering van de laatste verpakkingslaag werd een witkleurige stof aangetroffen welke qua kleur en samenstelling geleek op cocaïne. Het netto gewicht van deze stof bleek in totaal 491,3 gram.
Bij de testen van de aangetroffen stof, uit alle aangetroffen voorwerpen, met van rijkswege verstrekte en daartoe bestemde testsets trad een positieve kleurreactie op, zodat aangenomen mocht worden dat de geteste stof vermoedelijk betrof: cocaïne.
Vervolgens is een representatief monster van de aangetroffen stof bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het douanelaboratorium te Amsterdam. Dit monster is voorzien van monsternummer 05-027167 A.
3. Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 31 maart 2005, kenmerk PL278C/05-027167 A, Laboratoriumnummer 4315 X 05, opgemaakt door de vast gerechtelijke deskundige en hoofdscheikundige Drs. G.C.M. Koomen. De conclusie van het rapport luidt:
Het materiaal 05-027167 A bevat cocaïne.
Deze substantie is vermeld op lijst 1, behorende bij de Opiumwet.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 maart 2005 gesloten proces-verbaal, dossiernummer PL271D/05-027167, van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee District Schiphol. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als verklaring van verdachte:
Ik ben op 25 maart 2005 aangekomen op Schiphol vanuit Curaçao met de HXL 362.
Ik heb gezien dat de douane cocaïne heeft gevonden in de bodem van mijn koffer. De koffer is niet mijn eigendom. Ik heb de koffer geleend van een kennis (het hof begrijpt: ene [betrokkene 1]).
5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt en op 25 maart 2005 gesloten proces-verbaal, mutatienummer PL278C/05-027167, van de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4 en 5], beiden wachtmeester der Koninklijke Marechaussee District Schiphol. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als verklaring van verdachte afgelegd op 25 maart 2005 tegenover verbalisanten voormeld:
Ik had twee koffers bij me. Een grote zwarte koffer en een zwarte tas die ik als ruimbagage had ingecheckt. Ik heb de kleine zwarte tas geleend van [betrokkene 1]. Ik ken hem van straat.
Ik had een tas nodig en [betrokkene 1] zei dat hij een goede tas had die ik wel mocht lenen. Ik ben normaal gesproken heel goed van vertrouwen."
13. Daarnaast heeft het Hof de volgende bewijsoverweging opgenomen in het verkorte arrest:
"Tenslotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot de aan verdachte verweten opzet.
Daartoe heeft het hof -in navolging van de politierechter- het volgende overwogen. De algemene ervaringsregel leert dat een passagier, die een bagagestuk met zich voert, waarin zich een grote hoeveelheid cocaïne blijkt te bevinden, met de aanwezigheid van die cocaïne in die bagage bekend pleegt te zijn, dan wel zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in die bagage cocaïne aanwezig is. Zij draagt voor die inhoud dan ook de verantwoordelijkheid. Een en ander klemt temeer nu de verdachte het bagagestuk heeft vervoerd op verzoek van iemand die zij naar eigen zeggen (slechts) kende van de straat en waarover zij geen nadere informatie heeft kunnen of willen verstrekken. Door onder de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven tot het vervoer van de zwarte sporttas over te gaan zonder die tas grondig te controleren heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zich in de bagage die zij mee nam uit Curaçao - een land waarvan bekend is dat het als uitvalsbasis dient van drugstransporten - cocaïne zou bevinden, hetgeen ook het geval bleek te zijn."
14. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof in de nadere bewijsoverweging refereert aan feiten en omstandigheden die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen zouden kunnen blijken. Met name ontbreekt informatie over de grootte van de tas, waardoor niet kan worden vastgesteld of de aangetroffen hoeveelheid cocaïne groot is in relatie tot de grootte van de tas, en kan niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte de tas heeft vervoerd op verzoek van een ander.
15. Het middel is naar mijn oordeel terecht voorgesteld. Het Hof stelt blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de tas heeft geleend van ene [betrokkene 1], maar betoogt in de overwegingen met betrekking tot het opzet van de verdachte op het invoeren van cocaïne dat zij de tas op verzoek van een ander heeft vervoerd.(1) Van ondergeschikt belang acht ik dit feit bepaald niet. Van iemand die een tas vervoert op verzoek van een ander, en daarbij - onder de overigens in de overwegingen van het Hof geschetste omstandigheden - nalaat een onderzoek naar de aanwezigheid van verboden stoffen te verrichten kan eerder worden gezegd dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de aanwezigheid van dergelijke stoffen dan van iemand die een tas leent. In het laatste geval is het initiatief immers uitgegaan van de verdachte en niet van een derde die mogelijk belang zou kunnen hebben bij het gebruiken van de tas door de verdachte vanwege de daarin verstopte contrabande.
16. Het middel slaagt.
17. De middelen 1 tot en met 4 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Van de mogelijkheid te verwijzen naar een wettig bewijsmiddel waaraan dit feit is ontleend heeft het Hof geen gebruik gemaakt; vgl. HR 24 juni 2004, NJ 2004, 165, HR 15 mei 2007, LJN BA0424 en BA0425.