ECLI:NL:PHR:2007:BA7927

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03271/06 W
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 EVIGArt. 45 lid 1 WOTSArt. 21.2 EVIGArt. 21.3 EVIGArt. 22.4 VOGP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepasselijkheid VOGP bij verzoek tot overname tenuitvoerlegging Roemeens vonnis

De zaak betreft een verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een Roemeens vonnis waarbij de veroordeelde werd veroordeeld wegens koppelarij. De Rechtbank te 's-Gravenhage had eerder verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Roemeense gerechtshof, waarbij de veroordeelde een gevangenisstraf en taakstraf opgelegd kreeg.

De verdediging stelde dat het vonnis niet ten uitvoer kon worden gelegd omdat het een verstekvonnis betrof en dat de betekening niet volgens art. 45 lid 1 WOTS Pro had plaatsgevonden. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het EVIG niet van toepassing was en het verzoek gebaseerd was op het VOGP, waarbij het niet relevant is of sprake is van een verstekvonnis.

De Hoge Raad bevestigt dat het VOGP toepasselijk is en dat het vonnis niet als verstekvonnis moet worden aangemerkt omdat de veroordeelde in eerste aanleg en hoger beroep door een raadsman werd vertegenwoordigd en enige zitting persoonlijk bijwoonde. Ook het verweer dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk zou zijn, wordt verworpen.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatiemiddel faalt en dat er geen reden is tot vernietiging van het vonnis. De tenuitvoerlegging van het Roemeense vonnis kan derhalve plaatsvinden op basis van het VOGP.

Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en het verlof tot tenuitvoerlegging van het Roemeense vonnis wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 03271/06 W
Mr. Fokkens
Zitting 19 juni 2007
Conclusie inzake
[veroordeelde]
1. De Rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beslissing van 14 juli 2006 verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van een arrest van het Gerechtshof te Alba Iulia (Roemenië) van 4 februari 2003 waarbij [veroordeelde] werd veroordeeld tot 2,5 jaar gevangenisstraf wegens koppelarij, meermalen gepleegd. De Rechtbank heeft aan [veroordeelde] opgelegd een gevangenisstraf van 265 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar alsmede een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de tijd van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis.
2. Namens veroordeelde heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel valt in twee afzonderlijke hoofdklachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat art. 45 lid 1 WOTS Pro is geschonden. De tweede klacht houdt in dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het ter zitting gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie. Beide klachten berusten op het standpunt dat de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar is omdat [veroordeelde] door het Gerechtshof te Alba Iulia bij verstek is veroordeeld.
4. De Rechtbank heeft hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd omtrent de ontoelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis als volgt samengevat en verworpen:
'De raadsvrouwe heeft aan de hand van haar pleitaantekeningen het verweer gevoerd dat het verzoek tot tenuitvoerlegging niet in behandeling kan worden genomen. Daartoe heeft zij onder verwijzing naar het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen gesloten te 's-Gravenhage op 28 mei 1970, Trb. 1971, 137 (verder te noemen: EVIG) - zakelijk weergegeven - gesteld dat het Roemeense arrest van het gerechtshof te Alba Iulia waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd niet ten uitvoer kan worden gelegd, nu dit arrest (en naar de rechtbank begrijpt: ook het onderliggende vonnis van de Roemeense rechtbank te Sibiu) een verstekvonnis betreft.
De rechtbank verwerpt dit verweer reeds omdat het EVIG in het onderhavige geval toepassing mist. Ingevolge artikel 22, vierde lid, van het Verdrag inzake de overbrengen van gevonniste personen (verder te noemen: VOGP) is, indien een verzoek zowel valt binnen het toepassingsbereik van het EVIG als van het VOGP, het aan de verzoekende Staat om aan te gegeven (lees; geven, JWF) op grond van welk instrument het verzoek wordt gedaan. Gezien het inleidende verzoek heeft Roemenië in casu onmiskenbaar gekozen voor toepassing van het VOGP. Ingevolge de bepalingen van het VOGP en de WOTS is het niet relevant of een vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd een verstekvonnis betreft of niet.
Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog het volgende op:
De uitspraak in eerste aanleg en de daarop volgende uitspraak in hoger beroep, waarvan thans tenuitvoerlegging wordt gevraagd, zijn betekend aan het adres in Roemenië, dat door veroordeelde zelf in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis was opgegeven en waar hij naar zijn verklaring ter terechtzitting ook inderdaad een maand feitelijk heeft verbleven. Voorts heeft veroordeelde in eerste aanleg naast de zittingen in het kader van de voorlopige hechtenis in ieder geval één zitting in persoon en in het bijzijn van zijn raadsman bijgewoond, waarbij over het horen van getuigen en het verdere verloop van de procedure is gesproken. In de periode waarin de voorlopige hechtenis was geschorst heeft veroordeelde ook op diens kantoor gesproken met zijn Roemeense raadsman. Vervolgens heeft veroordeelde alvorens de procedure was afgerond, en zonder een nader adres bij zijn raadsman of de Roemeense rechterlijke autoriteiten achter te laten, Roemenië verlaten. Bedoelde raadsman heeft blijkens de uitspraak vervolgens ter terechtzitting namens veroordeelde inhoudelijk verweer gevoerd. Ook in hoger beroep is door een Roemeense advocaat namens veroordeelde inhoudelijk verweer gevoerd. Gezien deze feiten en omstandigheden kan niet met vrucht worden gesteld dat de uitspraak waarvan thans tenuitvoerlegging is gevraagd, als een verstekvonnis dient te worden aangemerkt.'
5. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Roemeense autoriteiten hebben het verzoek tot tenuitvoerlegging gegrond op het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1998, 202). Dit blijkt uit het 7 oktober 2003 gedateerde verzoek afkomstig van de aanklager bij het Hof van Beroep te Alba-Iulia dat zich bij de stukken bevindt. Het verzoek vangt in de Engelse vertaling als volgt aan:
'The general prosecutor of the Office under the Court of Appeal Alba-Iulia presents his salute to the judicial autorities from Holland.
On the basis of the 2nd article of the additional Protocol to the European Convention about the transfer of the convict persons, adopted at Strasbourg at 18 December 1997, has the honour to transmit
THE REQUEST OF TAKING OVER THE SENTENCE EXECUTION BY THE COMPETENT JUDICIAL AUTHORITIES from HOLLAND regarding the convicts [veroordeelde] and [betrokkene 1] - Dutch people.'
6. Zoals uit de naam van het Aanvullend Protocol zelf blijkt, betreft het een aanvulling van het VOGP dat bovendien blijkens de preambule strekt tot het vergemakkelijken van de toepassing van het VOGP. Daarom heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de Roemeense autoriteiten hebben aangegeven dat het verzoek wordt gedaan op basis van het VOGP zoals is voorzien in art. 24 lid 4 VOGP Pro. De aanduiding als Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen is, gelet op de verwijzing naar het te Staatsburg op 18 december 1997 gesloten Protocol, een klaarblijkelijke vergissing. Ten aanzien van het EVIG bestaat geen (Aanvullend) Protocol.
7. Het in art. 45 lid 1 WOTS Pro vervatte voorschrift, de verstekveroordeling aan de veroordeelde te betekenen, heeft alleen betekenis in verband met de mogelijkheid (alsnog) verzet te doen waarin de toepasselijke overdrachtverdragen voorzien. Die mogelijkheid wordt uitdrukkelijk gecreëerd in het Europees Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (EVIGP) en in het Beneluxverdrag inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Het in die verdragen voorziene buitengewone rechtsmiddel is uitgewerkt in de artt. 45-47 en 54-55 WOTS.(1)
8. Het voorschrift dat de bij verstek gewezen rechterlijke beslissing aan de veroordeelde moet worden betekend, kan ook van belang zijn indien het toepasselijke verdrag niet in de mogelijkheid voorziet verzet te doen gedurende een door het toepasselijke verdrag bepaalde termijn na betekening. Denkbaar is immers dat de rechterlijke beslissing nog niet onherroepelijk is naar het recht van de verzoekende Staat en dat de verzettermijn aanvangt met de betekening in Nederland.(2) Uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt evenwel dat dit niet de situatie is waarop dit voorschrift ziet. Daarom faalt de klacht dat art. 45 lid 1 WOTS Pro is geschonden.
9. De tweede klacht richt zich tegen het door de Rechtbank ongemotiveerd passeren van hetgeen ter zitting gevoerde betoog dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
10. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotitie heeft de raadsvrouwe verzocht de OvJ niet-ontvankelijk te verklaren. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de (verstek)veroordeling (a) niet kan worden aangemerkt als een veroordeling op tegenspraak op de voet van art. 21 EVIG Pro en (b) niet is betekend zoals is voorgeschreven in art. 45 lid 1 WOTS Pro.
11. De Rechtbank heeft in haar vonnis uiteengezet dat art. 21 EVIG Pro op de onderhavige zaak niet van toepassing is en dat de veroordeling niet behoefde te worden betekend op de voet van art. 45 lid 1 WOTS Pro. Daaruit volgt dat het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de OvJ, moet worden verworpen. Tot een nadere motivering was de Rechtbank niet gehouden. Ook deze klacht faalt.
12. Voor zover het middel nog bedoelt te klagen over het oordeel van de Rechtbank dat het hier niet om een verstekvonnis gaat, faalt het omdat dit een overweging ten overvloede is, waarop de bestreden uitspraak niet steunt.
13. Het middel faalt. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Kamerstukken II 1983/84, 18 129, nr. 3, p. 38.
2 Vgl. 187 lid 2 Wetboek van Strafvordering (België): de beklaagde die bij verstek is veroordeeld en aan wie de betekening van het vonnis niet in persoon is gedaan, kan verzet aantekenen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen, Hof van Cassatie 18 januari 2000, nr. RC001I4 (www.cass.be).