5.1 Uit het vorenstaande blijkt dat de hoofdregel, te weten dat navordering mogelijk is, onder zekere voorwaarden wijkt voor de rechtszekerheid die de aanslag aan de belastingplichtige biedt. In drie gevallen wordt de uitzondering teruggenomen en herneemt de hoofdregel haar gelding.
5.2 De eerste uitzondering is in de regeling terecht gekomen bij de Zevende Uitvoeringsbeschikking Inkomstenbelasting 1941(6). Art. 1, lid 2, luidde: 'Navordering van inkomstenbelasting kan mede plaatsvinden indien voorheffingen of voorloopige aanslagen, al dan niet ten gevolge van een ambtelijke fout, tot een te hoog bedrag met den aanslag in de inkomstenbelasting zijn verrekend.' Deze bepaling is thans terug te vinden in art. 16, lid 2, aanhef en onderdeel a, AWR.
Punt 6 van de zogenoemde officiële toelichting bij de genoemde uitvoeringsbeschikking hield in: '(...) Intussen kan het, naar gebleken is, voorkomen, dat bij het verrekenen van voorheffingen en voorlopige aanslagen een te hoog bedrag van de definitieve aanslag wordt afgetrokken. Voorzoveel de voorheffingen betreft, kan dit het gevolg zijn van een onjuiste opgaaf van de belastingplichtige of van zijn werkgever, maar evenzeer van een - voor de belastingplichtige gemakkelijk te onderkennen - fout van de administratie. Door herstel van zodanige fout wordt de rechtszekerheid van de belastingplichtige stellig niet in betreurenswaardige mate aangetast. Hetzelfde geldt, indien een voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is verrekend. Anders dan in art. 1, lid 1, wordt in lid 2 dan ook niet een nieuw feit geëist als uitgangspunt voor de navordering.'
J.L.M. Gribnau schrijft over art. 16, lid 2, AWR: 'De ratio is dat hier geen rechtszekerheid ontstaat bij de belastingplichtige, omdat hij de fout van de fiscus aanstonds opmerkt of moet opmerken.(7) En waar geen rechtszekerheid is, valt geen rechtszekerheid te beschermen of af te wegen tegen het gelijkheidsbeginsel'.(8)
5.3 De tweede uitzondering vloeit voort uit rechtspraak die bekend staat als de 'schrijf- en tikfoutenjurisprudentie'. In het standaardarrest HR 6 juni 1973, nr. 17 106, BNB 1973/161 met noot van J.P. Scheltens, overwoog de Hoge Raad dat de in de tweede volzin van art. 16, lid 1, AWR gemaakte uitzondering 'bedoeld is voor - en mitsdien, gelet op de hoofdregel, geacht moet worden te zijn beperkt tot - die gevallen, waarin een aanslag bij de belastingplichtige de indruk kan wekken te berusten, wat de inkomstenbelasting betreft, op een - zij het mogelijk onjuiste - vaststelling van het belastbare inkomen door de inspecteur (...).'
Recente beslissingen dienaangaande zijn HR 8 augustus 2003, nr. 37 570, BNB 2003/345 met noot van J. den Boer, HR 14 april 2006, nr. 40 958, BNB 2006/315, HR 2 juni 2006, nr. 41 128, BNB 2006/316, en HR 9 juni 2006, nr. 41 648, BNB 2006/317, alle met noot van E.B. Pechler; verder verwijs ik naar mijn conclusie bij het arrest van april 2006 waarin een overzicht van de ontwikkelingen tot dan toe is opgenomen, en naar de talrijke daar vermelde bronnen.
Ingevolge deze jurisprudentie is van een navordering verhinderend ambtelijk verzuim geen sprake wanneer bij de aanslagregeling een fout is gemaakt die (1) het gevolg is van een vergissing die heeft geleid tot een verschil tussen wat de inspecteur wilde en hetgeen in het aanslagbiljet is vastgelegd, zoals een schrijf-, reken-, overname- of intoetsfout, doch niet een fout als gevolg van een werkwijze waarvoor de inspecteur verantwoordelijkheid draagt, en die (2) voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is.
5.4 De derde uitzondering is neergelegd in de slotzin van art. 16, lid 1, AWR: '(...) behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is', welke na onder meer een daartoe strekkend advies van de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad in de wet is opgenomen bij de Wet van 21 april 1994, Stb. 301. Het wetsvoorstel voorzag oorspronkelijk in de bepaling dat voor navordering geen plaats was 'in de gevallen waarin de belastingplichtige wist of behoorde te weten dat te weinig belasting wordt geheven'. De tekst is vervangen door de thans in de wet opgenomen tekst door aanvaarding van een amendement-Vermeend c.s. Blijkens de toelichting daarbij hechtten de indieners eraan om aan te sluiten bij de van de zijde van de Hoge Raad voorgestelde tekst waarin de kwade trouw als criterium werd gebezigd. 'Wij achten het uit een oogpunt van wetssystematiek zuiverder om deze formulering expliciet in de wettelijke bepaling zelf op te nemen, in plaats van het inhoudelijk te omschrijven (zoals in het wetsvoorstel geschiedt). Met deze opzet wordt tevens beoogd de exacte afbakening van het begrip over te laten aan de rechtspraak.'(9)
De voorgeschiedenis en de totstandkoming alsmede de interpretatie door de Hoge Raad van de wetswijziging zijn uitvoerig behandeld door L.A. de Blieck.(10) Ik citeer enkele passages uit diens verhandeling (te vinden op pag. 17 en 18).
'De jurisprudentie van de Hoge Raad heeft, zo mag worden geconstateerd, geleid tot een erg beperkte uitleg van het begrip "te kwader trouw". (...) Wat de Tweede Kamer expliciet niet wilde slikken was de invulling van het begrip "te kwader trouw" die de regering voorstelde en die neerkwam op niet te goeder trouw in civielrechtelijke zin. Maar voor de conclusie dat voor de Tweede Kamer de uitleg van het begrip "te kwader trouw" in civielrechtelijke zin acceptabel was, zijn zeker aanknopingspunten te vinden. De Tweede Kamer heeft echter op dit punt in zijn denken een ontwikkeling doorgemaakt, getuige het voorstel voor de (...) Awir (...). Art. 21 (...) bevat de volgende tekst: "De Belastingdienst/Toeslagen kan een toegekende tegemoetkoming herzien: a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de dienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn (...), of b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten." (...) Deze bepaling van onderdeel b wordt summier toegelicht: "(...) Het kan hier gaan om bijvoorbeeld evidente fouten, zoals toekenningen die significant afwijken van hetgeen de belanghebbende mocht verwachten op grond van zijn aanvraag, of op grond van overleg met de Belastingdienst Toeslagen. De verdere parlementaire behandeling bevat geen discussie over de onderhavige bepaling.'
5.5 De hoofdregel wordt derhalve ondanks het ontbreken van een 'nieuw feit' toegepast, indien de bij de aanslagoplegging begane fout voor de belastingplichtige kenbaar is, omdat de inspecteur een vergissing heeft begaan bij de verrekening van een voorlopige aanslag of voorheffing dan wel een 'schrijf- of tikfout', of omdat de belastingplichtige zelf opzettelijk een fout in de aangifte heeft gemaakt.