ECLI:NL:PHR:2007:BA9393
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering mogelijk ondanks fout in aangifte door belastingplichtige zonder kwade trouw
In deze zaak stond centraal of de Inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting kon opleggen nadat de oorspronkelijke aanslag was gebaseerd op een foutieve aangifte van de belastingplichtige. De belanghebbende had een fout gemaakt bij het invullen van de hypotheekrente, wat leidde tot een onjuist laag belastbaar inkomen. Het hof stelde de belanghebbende in het gelijk omdat de Inspecteur de fout had kunnen en moeten opmerken en er geen sprake was van kwade trouw bij de belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigde dat navordering mogelijk is wanneer de aanslag is gebaseerd op een fout in de aangifte die niet opzettelijk is gemaakt door de belastingplichtige, mits deze fout evident en voor de belastingplichtige kenbaar is. De jurisprudentie omtrent het vereiste van een 'nieuw feit' en ambtelijk verzuim werd uitvoerig besproken, waarbij werd benadrukt dat de rechtszekerheid van de belastingplichtige beschermd moet worden, maar dat ook fouten van de belastingplichtige onder strikte voorwaarden aanleiding kunnen zijn voor navordering.
De uitspraak bevat een uitgebreide beschouwing over de verhouding tussen rechtszekerheid, gelijkheidsbeginsel en doelmatigheid van de Belastingdienst, en benadrukt dat fouten van de fiscus niet ten koste mogen komen van individuele belastingplichtigen. De Hoge Raad gaf aan dat de wetgever ruimte laat voor aanpassing van de jurisprudentie in gevallen waarin maatschappelijke belangen en rechtsgevoel dat vereisen.
Tot slot werd geconcludeerd dat navordering niet is uitgesloten in situaties waarin een belastingplichtige een fout maakt die leidt tot een aanzienlijk voordeel, zolang deze fout niet opzettelijk is en redelijkerwijs kenbaar is. Dit arrest bevestigt de noodzaak van zorgvuldigheid bij de Belastingdienst en geeft duidelijkheid over de toepassing van art. 16 AWR Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en oordeelt dat navordering op grond van art. 16 AWR mogelijk is ondanks een fout in de aangifte zonder kwade trouw.