ECLI:NL:PHR:2007:BA9621

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/075HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 149 RvArt. 1:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt duurzame ontwrichting huwelijk als grond voor echtscheiding

De man en vrouw zijn in 1975 getrouwd en zijn sinds oktober 2004 feitelijk gescheiden. De man verzocht in februari 2006 de rechtbank Amsterdam om echtscheiding wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De rechtbank wees het verzoek toe ondanks het verzet van de vrouw. De vrouw ging in hoger beroep bij het hof Amsterdam, dat de uitspraak van de rechtbank bekrachtigde. Het hof stelde vast dat de man de echtscheiding handhaafde en geen herstel van de relatie wenste, en dat partijen al geruime tijd gescheiden leefden.

De vrouw stelde cassatie in bij de Hoge Raad en voerde onder meer aan dat het hof onvoldoende bewijs had gevraagd en buiten de rechtsstrijd trad door duurzame ontwrichting aan te nemen. De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat het hof terecht aannam dat het huwelijk duurzaam ontwricht was, mede gelet op het feitelijk gescheiden leven en de wens van de man om de samenleving niet te hervatten.

Verder wees de Hoge Raad de overige klachten van de vrouw af, waaronder het ontbreken van motivering door het hof en het vermeende misbruik van procesrecht door de man. De Hoge Raad bevestigde dat er geen verplichting bestaat om bij een echtscheidingsverzoek tevens een verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in te dienen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het huwelijk duurzaam ontwricht is en wijst het cassatieberoep van de vrouw af.

Conclusie

Reknr. R07/075HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 13 juli 2007
conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure, hierna: de vrouw en de man, zijn op 30 augustus 1975 te St. Veit, Oostenrijk, met elkaar gehuwd. Partijen zijn in oktober 2004 feitelijk uit elkaar gegaan. De man woont reeds geruime tijd samen met een nieuwe partner.
2. Bij verzoekschrift van 9 februari 2006 heeft de man zich gewend tot de rechtbank Amsterdam en (onder meer) verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken op grond van duurzame ontwrichting van hun huwelijk.
3. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en zich verzet tegen het echtscheidingsverzoek.
4. Bij beschikking van 5 juli 2006 heeft de rechtbank, die overwoog dat de man na het verzet van de vrouw tegen het echtscheidingsverzoek zijn stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, heeft gehandhaafd en onderbouwd, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
5. De vrouw is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. Zij betwistte in hoger beroep dat het huwelijk met de man duurzaam is ontwricht.
6. Bij beschikking van 11 januari 2007 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof was, kort gezegd, van oordeel dat, in aanmerking genomen dat de man in hoger beroep wederom nadrukkelijk te kennen heeft gegeven zijn verzoek tot echtscheiding te handhaven en heeft aangevoerd dat hij de samenleving met de vrouw niet wenst te hervatten, en voorts in aanmerking genomen dat partijen al sedert oktober 2004 feitelijk gescheiden leven, een herstel van de huwelijkse betrekkingen tussen partijen niet te verwachten valt en hun huwelijk als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd (r.o. 4.2).
7. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
8. Onderdeel 1 van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel feitelijk onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is, dat het hof de man, nu de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk betwistte, bewijs van zijn stelling had moeten opdragen, en dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen, nu de man zulks niet voldoende heeft gesteld.
9. Het onderdeel faalt. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - als vaststaand aangenomen dat partijen sedert oktober 2004 feitelijk gescheiden leven. Voorts heeft het hof - eveneens onbestreden in cassatie - vastgesteld dat de man in hoger beroep wederom nadrukkelijk te kennen heeft gegeven zijn verzoek tot echtscheiding te handhaven en heeft aangevoerd dat hij de samenleving met de vrouw niet wenst te hervatten. Dat het hof op grond van dit een en ander tot het oordeel is gekomen dat een herstel van de huwelijkse betrekkingen tussen partijen niet te verwachten valt en dat hun huwelijk dus als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd, is niet onbegrijpelijk. Het oordeel is voldoende gemotiveerd en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zie bijv. HR 12 juli 2002, NJ 2002, 541. Nu het hof heeft kunnen oordelen dat het huwelijk van partijen als duurzaam ontwricht moet worden beschouwd, was het hof ingevolge art. 149 Rv Pro bevoegd noch gehouden de man bewijs op te dragen. De klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen, nu de man zulks niet voldoende heeft gesteld, mist feitelijke grondslag. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de man voldoende heeft gesteld om duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen te kunnen aannemen.
10. Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het hof de (andere) verweren van de vrouw tegen de echtscheiding zonder enige motivering naast zich heeft neergelegd.
11. Het onderdeel vormt kennelijk de inleiding op de klachten van de onderdelen 3 t/m 5 en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
12. De strekking van onderdeel 3 van het middel is mij niet geheel duidelijk geworden. Voor zover het onderdeel wil betogen dat (het hof heeft miskend dat) de echtscheiding niet kan worden uitgesproken zolang geen duidelijkheid bestaat omtrent de waarde van (bestanddelen van) de huwelijksgoederengemeenschap waarin de echtgenoten zijn gehuwd, faalt het. Het betoog vindt geen steun in het recht.
13. Onderdeel 4 van het middel verwijt het hof niet gemotiveerd te zijn ingegaan op het verweer van de vrouw dat de man misbruik van procesrecht maakt door, kennelijk met het doel zich te bevrijden van de inlichtingenplicht ex art. 1:98 BW Pro, een verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen, zonder daarbij tevens verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te verzoeken en zonder het maken van een volledige boedelbeschrijving op basis waarvan deze verdeling zou kunnen plaatsvinden
14. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het bedoelde verweer kan geen doel treffen, reeds omdat geen rechtsregel de echtgenoot die een verzoek tot echtscheiding indient, verplicht tevens een nevenverzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in te dienen en/of een volledige boedelbeschrijving op te maken. Het onderdeel faalt derhalve wegens gebrek aan belang.
15. Onderdeel 5 van het middel dat het hof niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van de vrouw dat zij belang heeft bij het herstel van de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
16. Ook dit onderdeel kan geen doel treffen. Indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, kan het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt, aan te voeren bijzondere omstandigheden worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorziening wordt hersteld en dat terzelfder tijd wordt beslist op die verzoeken (zie o.m. HR 2 april 1999, NJ 1999, 656 en HR 9 april 1999, NJ 1999, 657 nt. Wortmann). De vrouw heeft in hoger beroep dergelijke bijzondere omstandigheden niet aangevoerd, ook niet in haar grief III, zodat het onderdeel reeds faalt wegens gebrek aan belang.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden