ECLI:NL:PHR:2007:BA9708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijheid van vereniging en opzegbaarheid lidmaatschap in vereniging van eigenaren zomerhuisjes
Deze zaak betreft een geschil tussen een vereniging van eigenaren van zomerhuisjes en enkele leden over de rechtmatigheid van het opzeggen van hun lidmaatschap. De Vereniging vorderde onder meer dat de leden hun lidmaatschap niet mochten opzeggen en stelde dat zij tekortschoten in hun verplichtingen uit de koop- en aannemingsovereenkomst en de statuten van de Vereniging.
De leden hadden hun lidmaatschap opgezegd vanwege onenigheid over de hoogte van de bijdragen, met name over de kosten van bemiddeling bij verhuur. De Vereniging stelde dat het lidmaatschap onopzegbaar was en dat leden verplicht waren bij te dragen aan gezamenlijke activiteiten zoals verhuur en onderhoud.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de Vereniging af, stellende dat het lidmaatschap van een vereniging op grond van artikel 2:35 BW Pro opzegbaar is, behalve bij appartementsrechten. Ook oordeelden zij dat de persoonlijke verplichtingen uit de koopovereenkomsten niet afdwingbaar zijn door de Vereniging als derde, omdat geen feiten en omstandigheden waren gesteld die een overgang van rechten aannemelijk maken.
De Vereniging stelde cassatie in tegen deze beslissingen. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp de cassatiemiddelen. De Hoge Raad benadrukte dat een verplicht lidmaatschap in strijd is met het wettelijke stelsel en dat de Vereniging onvoldoende heeft gesteld om rechten uit de koopovereenkomsten te kunnen afdwingen. De conclusie van de Advocaat-Generaal was eveneens tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Vereniging wordt verworpen; het lidmaatschap is opzegbaar en persoonlijke verplichtingen uit koopovereenkomsten zijn niet afdwingbaar zonder bewijs van rechtenovergang.