ECLI:NL:PHR:2007:BB3320
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing voorlopige machtiging bij alcoholverslaving zonder ernstige psychische stoornis
In deze zaak verzocht de officier van justitie de rechtbank om een voorlopige machtiging te verlenen voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wegens ernstige alcoholverslaving en daaraan gerelateerde gedrags- en cognitieve stoornissen. Betrokkene werd door een psychiater onderzocht en er werd een geneeskundige verklaring overlegd die sprak van forse cognitieve stoornissen vermoedelijk ten gevolge van alcoholmisbruik, met een mogelijke diagnose Korsakovsyndroom, en ernstige gedragsstoornissen.
De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was gebleken dat de alcoholverslaving gepaard ging met andere psychische stoornissen van zodanige aard en ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene zodanig werd beïnvloed dat hem het veroorzaakte gevaar niet kon worden toegerekend. De rechtbank stelde de maatstaf van de Hoge Raad van 23 september 2005 voorop, waarin is bepaald dat alleen een stoornis van de geestvermogens die de betrokkene overwegend beheerst en een gevaar veroorzaakt, een voorlopige machtiging rechtvaardigt.
In cassatie werd aangevoerd dat de rechtbank de ernst van de stoornissen en het gevaar onvoldoende had meegewogen, mede gezien de diagnose mogelijke Korsakov en de gedragsstoornissen. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en dat de geneeskundige verklaring slechts een mogelijke diagnose Korsakov vermeldde, wat onvoldoende is voor cassatieonderzoek. De Hoge Raad bevestigde dat de ernst van de stoornis en het gevaar per individueel geval objectief moeten worden vastgesteld en dat de rechtbank hier zorgvuldig heeft gewogen. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en de voorlopige machtiging wordt afgewezen.