ECLI:NL:PHR:2007:BB3465
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Navordering inkomstenbelasting en onderzoeksplicht inspecteur bij geautomatiseerde aanslagregeling
In deze zaak staat centraal of de Inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over 1999, 2000 en 2001 terecht heeft opgelegd aan belanghebbende, die vanaf medio 1999 activiteiten als ondernemer verrichtte. De Inspecteur had de oorspronkelijke aanslagen zonder inhoudelijke beoordeling vastgesteld, waarna na een boekenonderzoek correcties werden doorgevoerd.
Het Hof stelde belanghebbende in het gelijk en oordeelde dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan door niet nader onderzoek te verrichten ondanks gerede twijfel over de juistheid van de aangiften, mede door de bijgevoegde jaarstukken en de wijziging in de aard van de inkomsten. De Inspecteur had volgens het Hof de aangiften niet mogen afdoen zonder nader onderzoek.
De Minister van Financiën stelde in cassatie dat het Hof de onderzoeksplicht van de Inspecteur te strikt had geïnterpreteerd. De Hoge Raad bevestigde echter de jurisprudentie dat navordering alleen mogelijk is bij een nieuw feit dat de Inspecteur niet kende en redelijkerwijs ook niet had kunnen kennen. De inspecteur mag uitgaan van de juistheid van een verzorgde aangifte, maar moet bij gerede twijfel nader onderzoek instellen. In deze zaak was het nalaten van onderzoek een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het oordeel van het Hof. Hiermee wordt het belang van zorgvuldigheid en onderzoeksplicht van de Inspecteur bij geautomatiseerde aanslagregelingen benadrukt, waarbij de inspecteur niet zonder meer mag volstaan met administratieve afdoening als er aanwijzingen zijn die twijfel rechtvaardigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof wordt bevestigd dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim beging door niet nader onderzoek te verrichten.