1 Bij herhaling wordt de voornaam in de stukken gespeld als "[verzoekster]". Ik houd de spelling aan die in het in cassatie bestreden arrest, en ook in het cassatierekest, gebruikt is.
2 Hoe de familierelatie precies is, is mij niet helemaal duidelijk geworden. In de stukken wordt nu eens gezegd dat [verzoekster] schoondochter van [betrokkene 1] zou zijn, dan weer dat het om schoonzusters gaat.
3 Ook de namen "[betrokkene 1]" en "[betrokkene 1]" worden in de stukken op uiteenlopende wijze gespeld. (Ook) hier heb ik mij georiënteerd op de door het hof aangehouden spelling.
4 Aanwijzingen daarvoor zijn althans te putten uit een bericht van uitvaartverzorgingsbedrijf [A] aan [betrokkene 2], dat bij brief van 22 januari 2007 door de advocaat van [verzoekster] (in kopie) aan het hof werd gezonden.
5 Het in cassatie bestreden arrest is van 1 februari 2007. Het cassatierekest is op 8 februari 2007 per fax naar de griffie gestuurd, en op 9 februari 2007 in de reguliere schriftelijke vorm ingekomen. Dat is binnen de termijn van acht dagen van art. 351, tweede lid en art. 342, derde lid Fw.
6 Middel I geeft in alinea 2.1 wel aan dat de klacht ook tegen rov. 4.1 gericht is; maar om de in alinea's 9 en 10 hierna te bespreken reden meen ik dat daaraan voorbij kan worden gegaan.
7 Ter vermijding van mogelijk misverstand voeg ik toe dat mij ook geen grond te binnen schoot die voor bestrijding van dit oordeel had kunnen dienen. Wat het hof hier overweegt "sluit als een bus".
8 Ik zou menen dat iemand die, vertrouwend op later van anderen te verkrijgen bekrachtiging, voor rekening van die anderen gaat handelen of heeft gehandeld (en daarmee op z'n minst een relevant risico van aansprakelijkheid op zich laadt/heeft geladen), daarvan wel degelijk wél melding moet maken als hij schuldsanering wenst, of als schuldsanering reeds op hem van toepassing is.
9 Volgens de eigen verklaring van [verzoekster] bij de mondelinge behandeling in hoger beroep (zie het proces-verbaal van die mondelinge behandeling) zou de oorspronkelijke leningstransactie zijn aangegaan terwijl zij, [verzoekster], met de zuster van de overleden [betrokkene 1] de bank bezocht. Of deze zuster tot de erfgenamen behoort, blijkt niet. Volgens de verklaring van Mr. Onland, advocaat van [verzoekster], in hetzelfde proces-verbaal zijn de kinderen van [betrokkene 1] - waarvan er t.a.p. acht worden genoemd - de erfgenamen.
Uit de verklaringen in dit proces-verbaal, en ook overigens uit de stukken, blijkt niet aan wie de geleende gelden bij het aangaan van de lening zijn verstrekt.
De herbelening (in mei 2006) zou hebben plaatsgehad in een ontmoeting bij de bank waar een dochter ([betrokkene 2]) van de overleden [betrokkene 1] aanwezig was.
10 Dat laatste kan men met enige goede wil wel in de namens [verzoekster] aangevoerde stellingen "inlezen"; maar ik heb in de stukken van de feitelijke instanties geen expliciet uitgesproken stelling van deze inhoud aangetroffen. Die stukken wekken ook de indruk dat de erven zich in feite de terugbetalingsverplichtingen niet hebben aangetrokken, zodat het op executie van het onderpand (de sieraden) is aangekomen. Men wordt uit de stukken niet gewaar of er nog een restschuld zou bestaan, dan wel of de executie juist een overschot heeft opgeleverd (en waar dat dan eventueel terecht zou zijn gekomen).
11 Daar gaat het om verklaringen van [betrokkene 2], die inderdaad een dochter van wijlen [betrokkene 1] zou zijn, en van haar zoon - dus vermoedelijk een kleinzoon van de overleden [betrokkene 1].
12 Volledigheidshalve vermeld ik dat de uitleg die de rechter in de feitelijke instanties aan gedingstukken en andere uitingen in de procedure geeft, aan hem - de feitelijke rechter - is voorbehouden, zie bijvoorbeeld HR 29 juni 2007, NJ 2007, 355, rov. 3.5.2; HR 13 april 2007, NJ 2007, 219, rov. 3.3.3; HR 27 maart 2007, NJ 2007, 333, rov. 4.3.
13 Bij wege van illustratie verwijs ik naar HR 7 mei 2004, NJ 2005, 131, rov. 3.4.2 en 3.4.3 ("indirect" bewijs van mijn stelling, nu het daar om de bestuursrechtelijke procedure ging); HR 29 september 2000, NJ 2001, 302 m.nt. PAS, rov. 4.3.5; en HR 22 november 1996, NJ 1997, 205 m.nt. PAS, rov. 3.5 en 3.6.
14 O.a. Vademecum Burgerlijk Procesrecht (losbl.), Numann, nrs. 31.2.1 en 31.4.1. Zie voor het deskundigenbericht bijvoorbeeld HR 13 januari 2006, RvdW 2006, 87, rov. 3.4.5; HR 9 september 2005, BIE 2006, 1, rov. 6.2.
15 Zij zijn dat overigens maar ten dele. Volstrekt onjuist is bijvoorbeeld het argument uit alinea 3.4, voorzover daar wordt beweerd dat alléén het feit dat [verzoekster] de sieraden zou hebben bezeten, het hof bij zijn oordeel heeft geleid. Het lijkt mij evident dat het hof ook andere omstandigheden - en vooral: het feit dat [verzoekster] zowel vóór als tijdens de schuldsanering aanzienlijke leningstransacties op eigen naam en voor eigen rekening is aangegaan, en die telkens heeft verzwegen - in zijn oordeel heeft laten meewegen.
16 In alinea 4 van het aanvullend cassatierekest wordt dit, naar mij toeschijnt, ook (ond)erkend.