ECLI:NL:PHR:2007:BB3765
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering vervangende toestemming tot erkenning van minderjarig kind wegens belangenafweging
De zaak betreft een verzoek van een man tot vervangende toestemming tot erkenning van zijn minderjarige zoon, geboren uit een relatie met de vrouw die hij beëindigde. De rechtbank verleende aanvankelijk de toestemming, maar het hof vernietigde deze beslissing en wees het verzoek af vanwege de grote angst van de moeder voor de man, wat de ongestoorde verhouding tussen moeder en kind zou schaden.
De Hoge Raad overweegt dat de vervangende toestemming tot erkenning slechts kan worden geweigerd indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind schaadt. Het hof heeft de juiste maatstaf toegepast en uitgebreid gemotiveerd dat de angst van de moeder reële negatieve gevolgen voor het kind kan hebben.
De man voerde diverse motiveringsklachten aan tegen het oordeel van het hof, onder meer over de waardering van bewijsstukken en de interpretatie van de angst van de moeder. De Hoge Raad verwerpt deze klachten, benadrukt dat de waardering van feiten aan het hof is voorbehouden en dat het belang van het kind uiteindelijk doorslaggevend is.
De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat de vervangende toestemming tot erkenning moet worden geweigerd om de belangen van het kind en de moeder te beschermen, ondanks het belang van de man bij erkenning.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de weigering van vervangende toestemming tot erkenning van het kind wegens belangenafweging ten gunste van moeder en kind.