ECLI:NL:PHR:2007:BB4776

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/10728
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 onder h Wet BopzArt. 2 lid 1 Wet BopzArt. 8a Wet BopzArt. 10 lid 2 Wet BopzArt. 15 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging machtiging voortgezet verblijf wegens niet-erkend psychiatrisch ziekenhuis

In deze zaak ging het om de vraag of de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene rechtsgeldig was verleend, nu zij verbleef in de Eykman-kliniek te Den Dolder, een afdeling die niet als psychiatrisch ziekenhuis is erkend onder de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

De rechtbank had de machtiging verleend zonder duidelijk te maken welk psychiatrisch ziekenhuis bedoeld werd en had aangenomen dat de Eykman-kliniek als zodanig was aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was, aangezien de Eykman-kliniek niet voorkomt in de officiële lijst van erkende psychiatrische ziekenhuizen en dat machtigingen tot voortgezet verblijf alleen kunnen worden verleend indien de betrokkene in een erkend psychiatrisch ziekenhuis verblijft.

Daarnaast werd besproken dat de machtiging niet kan worden verleend op grond van een voorwaardelijk ontslag buiten een psychiatrisch ziekenhuis, aangezien de wet sinds 1 januari 2004 geen ruimte meer biedt voor zogenaamde 'paraplumachtigingen'.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank te Utrecht voor verdere behandeling, mede met het oog op mogelijke toepassing van art. 8a Wet Bopz.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde de machtiging tot voortgezet verblijf omdat betrokkene verbleef in een niet als psychiatrisch ziekenhuis erkende instelling.

Conclusie

C07/10728
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 14 september 2007
Conclusie inzake:
[verzoekster = betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Utrecht
In deze Bopz-zaak gaat het om de vraag of de instelling waar betrokkene verblijft, is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij beschikking van 9 november 2006 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch een voorlopige machtiging verleend om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven(1).
1.2. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht, stellende dat betrokkene verblijft in de Eykman-kliniek (Motivatiecentrum) te Den Dolder, heeft op 2 mei 2007 aan de rechtbank te Utrecht verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene "in het hiervoor genoemde psychiatrisch ziekenhuis". Gelet op de daaraan voorafgaande tekst van het verzoekschrift, is daarmee de Eykman-kliniek bedoeld. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 1 mei 2007 opgemaakt door [betrokkene 1] als waarnemend geneesheer-directeur, die betrokkene heeft doen onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2], alsmede een afschrift van het behandelingsplan met een toelichting van de behandelend psychiater.
1.3. De rechtbank heeft op 24 mei 2007 in de Eykman-kliniek gehoord: betrokkene en haar raadsvrouw, de behandelend psychiater, de psycholoog, een GGZ-verpleegkundige en de groepsleider. Ter zitting is van de zijde van betrokkene onder meer het verweer gevoerd dat de verzochte machtiging niet kan worden verleend omdat de Eykman-kliniek niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis. De behandelend psychiater heeft ter zitting hieromtrent verklaard:
"Deze instelling is niet BOPZ geïndiceerd. Wij hebben hier geen gesloten deuren. De machtiging is gekoppeld aan de PAAZ Overvecht. De PAAZ beheert de machtiging."
1.4. Bij beschikking van 25 mei 2007 heeft de rechtbank een machtiging verleend "tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis of in een andere BOPZ-inrichting", ingaande op diezelfde datum tot en met 25 mei 2008.
1.5. Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het middel van cassatie valt uiteen in vijf onderdelen die samengevat inhouden:
(1) Ten onrechte heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf verleend, nu zodanige machtiging slechts kan worden verleend indien de betrokkene in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verblijft (art. 15 Wet Pro Bopz). In cassatie moet worden aangenomen dat de Eykman-kliniek te Den Dolder niet op de voet van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.
(2) Omdat de Eykman-kliniek niet als psychiatrisch ziekenhuis is aangemerkt, voldoet ook de geneeskundige verklaring niet aan het vereiste dat zij is afgegeven door de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene is opgenomen (art. 16 lid 1 Wet Pro Bopz).
(3) In de `kop' van de beschikking heeft de rechtbank vermeld dat betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Ten onrechte heeft de rechtbank in het midden gelaten welk ziekenhuis dat is. In elk geval is deze vermelding onbegrijpelijk, omdat in cassatie als uitgangspunt heeft te gelden dat betrokkene feitelijk verblijft in de Eykman-kliniek, die niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.
(4) Indien de rechtbank in het dictum met de aanduiding "in een psychiatrisch ziekenhuis of in een andere BOPZ-inrichting" heeft bedoeld een machtiging te verlenen tot het voortgezet verblijf van betrokkene in de Eykman-kliniek, is die beslissing rechtens onjuist omdat de Eykman-kliniek niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis, althans onbegrijpelijk.
(5) Op enkele plaatsen in de gedingstukken(2) wordt er melding van gemaakt dat betrokkene in de Eykman-kliniek zou verblijven op grond van een aan haar verleend voorwaardelijk ontslag. Hiervan blijkt echter niet uit het verzoekschrift van de officier van justitie, noch uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling of uit de bestreden beschikking. Bovendien, ook al zou sprake zijn van een voorwaardelijk ontslag, een machtiging tot voortgezet verblijf kan niet worden verleend op grond van de in onderdeel 1 aangegeven omstandigheid en/of op grond van de omstandigheid dat geen voornemen bestaat tot opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
2.2. De rechtbank heeft (in de kop van de bestreden beschikking: uitdrukkelijk) aangenomen dat betrokkene verblijft in "een" psychiatrisch ziekenhuis. Niet duidelijk is, welk psychiatrisch ziekenhuis de rechtbank hierbij precies voor ogen heeft gehad. Dit verklaart de gelede opbouw van het cassatiemiddel, dat rekening houdt met verschillende mogelijke lezingen.
2.3. Ik begin maar gewoon vooraan. Op grond van art. 2 lid 1 Wet Pro Bopz kan de rechtbank een voorlopige machtiging verlenen om iemand die gestoord is in zijn geestvermogens in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. De rechter bepaalt niet in welk psychiatrisch ziekenhuis de machtiging ten uitvoer zal worden gelegd. Art. 66 Wet Pro Bopz belast de officier van justitie met de tenuitvoerlegging. Indien binnen een week nog niet tot opneming is overgegaan door de daarvoor in aanmerking komende psychiatrische ziekenhuizen, kan de officier van justitie na overleg met de inspecteur voor de gezondheidszorg één van die ziekenhuizen bevelen de betrokkene op te nemen (art. 10 lid 2 Wet Pro Bopz). Indien de betrokkene reeds vrijwillig in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verblijft, kan een voorlopige machtiging worden verleend om het verblijf te doen voortduren (art. 2, lid 1 en lid 4, Wet Bopz(3)). Met betrekking tot een persoon die ingevolge een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, kan de rechter op verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf verlenen (art. 15 Wet Pro Bopz). In dat geval moet een geneeskundige verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin betrokkene is opgenomen(4). Een machtiging tot voortgezet verblijf wordt tenuitvoergelegd in hetzelfde psychiatrisch ziekenhuis of, na overplaatsing op de voet van art. 55 Wet Pro Bopz, in een ander psychiatrisch ziekenhuis. De rechter behoeft niet aan te wijzen in welk psychiatrisch ziekenhuis de machtiging tot voortgezet verblijf ten uitvoer zal worden gelegd. In deze zaak is dit laatste ook niet gebeurd.
2.4. De consequentie van dit systeem is dat klachten over de plaats van tenuitvoerlegging in beginsel niet worden behandeld in het kader van de machtigingsprocedure(5). Dit neemt niet weg, dat een machtiging tot voortgezet verblijf uitsluitend kan worden verleend indien aan de wettelijke vereisten is voldaan.
2.5. In de periode tot 1 januari 2004(6) werd aangenomen dat, als zgn. `paraplumachtiging', een machtiging tot voortgezet verblijf kon worden verleend ten aanzien van een patiënt die in het kader van een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis feitelijk buiten het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Ingaande 1 januari 2004 zal, na een voorwaardelijk ontslag, de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin de betrokkene laatstelijk was opgenomen een keuze moeten maken voordat de lopende verblijfsmachtiging eindigt. Indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van betrokkene dit noodzakelijk maakt en het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, trekt de geneesheer-directeur het voorwaardelijk verleende ontslag uit het ziekenhuis in. Het voorwaardelijk verleende ontslag kan worden ingetrokken wanneer de patiënt de gestelde voorwaarden niet nakomt of op verzoek van de patiënt(7). Indien de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis (niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting) slechts door het stellen van voorwaarden kan worden afgewend, en de betrokkene zich bereid verklaart tot naleving van de voorwaarden, kan via de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging aan de rechtbank worden verzocht(8). De invoering van de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging op 1 januari 2004 heeft een einde gemaakt aan het verlenen van `paraplumachtigingen'(9).
2.6. In navolging van het cassatiemiddel bespreek ik de diverse wijzen waarop de bestreden beschikking kan worden gelezen. Voor zover de rechtbank van oordeel is geweest dat voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf niet van belang is of de betrokkene krachtens een voorlopige machtiging (of eerdere machtiging tot voortgezet verblijf) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, slaagt onderdeel 1. In HR 24 maart 2006, NJ 2006, 218 (BJ 2006, 23 m.nt. WD) werd een machtiging tot voortgezet verblijf verzocht. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte ervan was uitgegaan dat de betrokkene in een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Om die reden had de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf niet mogen toewijzen(10).
2.7. Voor zover de rechtbank van oordeel is geweest dat betrokkene in de Eykman-kliniek verblijft en dat deze kliniek op de voet van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Eykman-kliniek is niet vermeld in de lijst van als zodanig aangemerkte psychiatrische ziekenhuizen in de Staatscourant(11). Bij deze lezing van de bestreden beslissing slaagt onderdeel 1 en, in verband daarmee, ook onderdeel 4.
2.8. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, niet zijnde de Eykman-kliniek, is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, voor de lezer niet duidelijk op welk psychiatrisch ziekenhuis de rechtbank dan doelt. In zoverre slaagt onderdeel 3. In onderdeel 5 houdt het cassatiemiddel kennelijk rekening met de mogelijkheid dat de rechtbank, op grond van de vermelding in enkele gedingstukken dat betrokkene op grond van een voorwaardelijk ontslag in de Eykman-kliniek verblijft, het psychiatrisch ziekenhuis Reinier van Arkel te 's-Hertogenbosch(12) of de psychiatrische afdeling van het algemeen ziekenhuis "Mesos Medisch Centrum" te Utrecht(13) heeft beschouwd als het (als zodanig aangemerkte) psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene verblijft. Op blz. 4 van de geneeskundige verklaring is vermeld dat betrokkene in het kader van een voorwaardelijk ontslag is opgenomen in het motivatiecentrum en dat betrokkene, als zij zich niet aan de voorwaarden houdt, zal worden opgenomen in de PAAZ Mesos.
2.9. Uit de beschikking blijkt niet met zoveel woorden dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat aan betrokkene een voorwaardelijk ontslag is verleend. Wat daarvan zij, indien juist is dat de geneesheer-directeur van een als zodanig aangemerkt psychiatrisch ziekenhuis (Reinier van Arkel of PAAZ Mesos) aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit dat ziekenhuis heeft verleend en dat betrokkene, in het kader van dat voorwaardelijk ontslag, feitelijk in de Eykman-kliniek verblijft, zou het hier in feite gaan om een `paraplumachtiging'. Zoals gezegd, biedt de wet daarvoor sedert 1 januari 2004 geen ruimte meer. In een zodanig geval kan de officier van justitie een voorwaardelijke machtiging verzoeken, aangenomen dat aan de wettelijke vereisten voor een voorwaardelijke machtiging wordt voldaan. Bij deze lezing van de bestreden beschikking slaagt de slotklacht van onderdeel 5.
2.10. Om de bovengenoemde redenen kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak terugwijzen naar de rechtbank te Utrecht, mede met het oog op de mogelijkheid van toepassing van art. 8a Wet Bopz. Onderdeel 2, dat betrekking heeft op degene die de geneeskundige verklaring heeft opgemaakt, behoeft na het voorgaande geen bespreking meer.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Utrecht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Uit deze beschikking blijkt dat betrokkene destijds krachtens een inbewaringstelling verbleef in het psychiatrisch ziekenhuis Reinier van Arkel te 's-Hertogenbosch.
2 Geneeskundige verklaring blz. 4; behandelingsplan blz. 1.
3 Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een persoon die ingevolge een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in een ziekenhuis verblijft: zie art. 31 Wet Pro Bopz.
4 Zie art. 16, lid 4 in verbinding met lid 1, Wet Bopz.
5 Vgl. HR 16 maart 2007, BJ 2007, 15 m.nt. WD.
6 Datum inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2002, Stb. 431, tot wijziging van de Wet Bopz (voorwaardelijke machtiging en observatiemachtiging).
7 Art. 46 en Pro 47 Wet Bopz.
8 Art. 14a Wet Bopz.
9 Zie hierover: HR 11 november 2005, NJ 2006, 288 m.nt. J. Legemaate; BJ 2006, 1 m.nt. WD; herhaald in HR 2 juni 2006, BJ 2006, 36.
10 In dezelfde zin: HR 1 juni 2007, BJ 2007, 33 m.nt. red., waarin het ging om een patiënt die verbleef in een niet op de voet van art. 1, lid 1 onder h, Wet Bopz als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte woonvorm.
11 Dit wordt bevestigd in een verklaring van een ambtenaar van het ministerie van VWS, die als bijlage G bij het cassatierekest is gevoegd. Ter zitting van de rechtbank werd dit al bevestigd door de behandelend psychiater.
12 Genoemd in het behandelingsplan, blz. 1.
13 Genoemd op blz. 4 van de geneeskundige verklaring en in het briefhoofd van het daarbij behorende begeleidend schrijven.