ECLI:NL:PHR:2007:BB4938
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de vereisten voor opname van bekennende verklaringen in het vonnis bij overtreding Wegenverkeerswet
De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het geschil betrof de vraag of de bekennende verklaring van de verdachte in het proces-verbaal van de terechtzitting of in het arrest moest worden opgenomen om het oordeel van de feitenrechter te kunnen toetsen.
De Hoge Raad stelt dat de wetgever met de invoering van artikel 359, derde lid, Sv niet heeft beoogd dat alleen een ter terechtzitting afgelegde bekentenis volstaat, maar ook een bekentenis in het vooronderzoek kan worden gebruikt zonder dat deze integraal in het vonnis hoeft te worden opgenomen. Wel moet het wettig bewijsmiddel, waaraan de verklaring is ontleend, duidelijk worden aangeduid.
In deze zaak had de verdachte tegenover de politie bekend, wat in het proces-verbaal van politie was opgenomen. De verdachte was in eerste aanleg verstek gegaan en in hoger beroep beperkte zijn raadsman zich tot een strafmaatverweer. Het Hof achtte de bekennende verklaring voldoende voor het oordeel dat de verdachte het feit had bekend.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de bekennende verklaring integraal moest worden opgenomen, en bevestigde dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor overtreding van de Wegenverkeerswet.