ECLI:NL:PHR:2007:BB4943

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02597/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling aantekening mondeling vonnisArt. 21 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 425 Sv (oud)Art. 426d Sv (oud)Art. 378 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de toereikendheid van verwijzing naar dagvaarding in eerste aanleg in mondeling arrest

In deze zaak stond centraal of het hof in het mondeling arrest de tenlastelegging voldoende moest vermelden of dat een verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg volstond. Verdachte was veroordeeld wegens het overtreden van de maximumsnelheid op een openbare weg. De verdediging stelde dat het hof in het arrest het ten laste gelegde feit niet duidelijk had vermeld.

De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 3 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis het volstaat dat in de aantekening van het mondeling vonnis wordt verwezen naar de dagvaarding in eerste aanleg, ook als de tenlastelegging niet volledig in het vonnis in eerste aanleg is opgenomen. Het maakt daarbij niet uit of het vonnis in eerste aanleg door de appelrechter is bevestigd of vernietigd.

De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat deze verwijzing ontoereikend was. Hiermee werd bevestigd dat de verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg in het mondeling arrest voldoende duidelijkheid verschaft over hetgeen verdachte wordt verweten. Het middel faalde en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg in het mondeling arrest voldoende is.

Conclusie

Nr. 02597/06
Mr. Vellinga
Zitting: 11 september 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, subsidiair zes dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkernisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof in het bestreden arrest heeft verzuimd het aan de verdachte tenlastegelegde te vermelden.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
"Het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat hij op 3 februari 2005 in de gemeente Sint-Antonis, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de N272, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 118 kilometer per uur."
5. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Aantekening van het mondeling arrest
(...)
2. Inhoud van de tenlastelegging
Overeenkomstig de dagvaarding in eerste aanleg"
6. De onderhavige zaak is in eerste aanleg behandeld door de sector Kanton van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Ook het Hof heeft de zaak enkelvoudig afgedaan. In aanmerking genomen dat tegen het arrest van het Hof cassatie is ingesteld, diende het arrest van het Hof overeenkomstig (toen nog) art. 425, lid 4, aanhef en onder c, Sv te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting "op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen".
7. Art. 425, vierde lid (oud), Sv - thans art. 425, derde lid, Sv - is op 1 januari 2002 in werking getreden. Voordien bevatte het thans vervallen art. 426d, tweede lid, Sv een vergelijkbare regeling voor mondelinge vonnissen van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Die regeling was op haar beurt vergelijkbaar met de regelingen inzake de mondelinge vonnissen van de politierechter, de kinderrechter, de economische politierechter en de kantonrechter, zoals neergelegd in onder meer art. 378, tweede lid, en art. 395, tweede lid, Sv. De aantekening van al die vonnissen is door de Minister van Justitie vastgesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197, hierna: de Regeling). Aangezien de Minister voor de aantekening van de mondeling gewezen arresten van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof geen nieuwe regeling heeft vastgesteld, moet worden aangenomen dat met de in de aanhef van het vierde lid van art. 425 (oud) Sv bedoelde, door de Minister van Justitie te bepalen wijze waarop een mondeling arrest dient te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, wordt gedoeld op de Regeling van 2 oktober 1996 (HR 19 juni 2007, LJN BA0422).
8. Art. 3 van Pro genoemde Regeling houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 426d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:
(...)
c. inhoud van de telastlegging (verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg is toegelaten, met vermelding van nadere opgave ter terechtzitting);"
9. Met de hiervóór vermelde verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg is derhalve in het bestreden arrest genoegzaam tot uitdrukking gebracht wat verdachte verweten werd.(1)
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Ik wijs nog op HR 26 oktober 1999, LJN ZD6659 (niet gepubliceerd), waarin de enkelvoudige kamer van de Rechtbank, rechtdoende in hoger beroep, wat de inhoud van de tenlastelegging betreft had volstaan met de vermelding "Overeenkomstig de inleidende dagvaarding". Het cassatiemiddel hield in dat de regel dat in de aantekening mondeling vonnis verwezen mag worden naar de dagvaarding in eerste aanleg uitzondering zou moeten leiden wanneer het vonnis in eerste aanleg die dagvaarding niet bevat. De Hoge Raad verwierp deze klacht, overwegende dat art. 3 van Pro de Regeling niet inhoudt "dat van de bevoegdheid om in de aantekening mondeling vonnis als bedoeld in art. 426d Sv voor wat betreft de tenlastelegging te verwijzen naar de dagvaarding in eerste aanleg slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer deze tenlastelegging in het vonnis in eerste aanleg volledig is opgenomen."