ECLI:NL:PHR:2007:BB5064

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/10936
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 lid 2 Wet BopzArt. 5 Wet BopzArt. 8 lid 4 Wet BopzArt. 17 lid 2 Wet BopzArt. 16 lid 4 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende gevaar

Betrokkene verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een voorlopige machtiging. De officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortgezet verblijf, onderbouwd met een geneeskundige verklaring en een behandelingsplan.

De rechtbank wees het verzoek af omdat tijdens de mondelinge behandeling niet was gebleken dat betrokkene gevaar veroorzaakte dat voortzetting van de opname noodzakelijk maakte. De behandelend psychiater was niet aanwezig en de aanwezige verpleegkundige kon geen aanvullende informatie geven.

In cassatie werd aangevoerd dat de rechtbank verplicht was de behandelend psychiater te horen en nader onderzoek te verrichten. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk was en dat de rechter niet verplicht is ambtshalve nader psychiatrisch onderzoek te doen of de behandelend psychiater te horen indien het verzoek niet voldoende is onderbouwd.

De Hoge Raad benadrukte dat de rechter een eigen verantwoordelijkheid heeft om op basis van voldoende informatie te beslissen, maar dat het oordeel van een psychiater niet bindend is. De klacht werd verworpen en het beroep afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis is afgewezen wegens onvoldoende gevaar.

Conclusie

C07/10936
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 28 september 2007
Conclusie inzake:
Officier van Justitie te Rotterdam
tegen
[Betrokkene]
In deze Bopz-zaak is een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf afgewezen omdat niet aan het gevaarscriterium is voldaan.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Verweerster in cassatie (hierna: betrokkene) is krachtens een voorlopige machtiging opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis BAVO Europoort, divisie Ouderen, locatie Nieuwe Binnenweg te Rotterdam. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 21 mei 2007 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in het ziekenhuis. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring d.d. 15 mei 2007 gevoegd, alsmede een afschrift van het behandelingsplan en een bericht over de stand van uitvoering daarvan.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 12 juni 2007. Ten tijde van de mondelinge behandeling verbleef betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis BAVO Europoort, locatie Bergschenhoek. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord alsmede de verpleegkundige [de verpleegkundige]. Namens betrokkene is onder meer aangevoerd:
"De psychiater had aanwezig moeten zijn. Er is nu nauwelijks enige onderbouwing van het verzoek. De stoornis is nu alleen uit de geneeskundige verklaring af te leiden, er is nu geen gevaar en het gaat goed op de afdeling. (...)"
1.3. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, na te hebben overwogen:
"Tijdens het verhoor is niet gebleken dat betrokkene gevaar veroorzaakt dat voortzetting van haar opneming in het ziekenhuis noodzakelijk maakt. De behandelend psychiater was niet aanwezig en de aanwezige verpleegkundige heeft geen toelichting kunnen geven op de stand van zaken, daar betrokkene nog maar kort in BAVO Bergschenhoek opgenomen is en ook overigens geen informatie over betrokkene was overgedragen. Derhalve zal het verzoek worden afgewezen."
1.4. Namens de officier van justitie is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Onderdeel 1 klaagt dat het in 1.3 geciteerde oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Volgens de klacht blijkt uit de geneeskundige verklaring en uit het bericht over de stand van uitvoering van het behandelingsplan dat bij betrokkene sprake is van (met name) stemmingsstoornissen, manische of gemengde episoden, welke stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken, te weten: gevaar van uitputting van betrokkene, verslechtering van haar diabetes, dreigende maatschappelijke teloorgang en ernstige contactstoornissen met haar zieke echtgenoot. De omstandigheid dat de behandelend psychiater niet ter zitting aanwezig was en de aanwezige verpleegkundige geen toelichting kon geven maakt zulks niet anders.
2.2. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken (art. 15, lid 2, aanhef en onder a, Wet Bopz). Wanneer de rechter deze vraag ontkennend beantwoordt is hij gehouden het verzoek van de officier van justitie af te wijzen. Waar de rechtbank in deze zaak overweegt dat haar niet is gebleken dat betrokkene gevaar veroorzaakt dat voortzetting van de opneming in het ziekenhuis noodzakelijk maakt, heeft zij zich niet onthouden van een inhoudelijk oordeel, maar te kennen gegeven dat naar haar oordeel deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De rechtsklacht stuit hierop af.
2.3. Dat in de geneeskundige verklaring de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens is vastgesteld die betrokkene gevaar doet veroorzaken, heeft de rechtbank blijkbaar niet overtuigd. De rechtbank heeft kennis genomen van de geneeskundige verklaring, het behandelingsplan en het bericht over de stand van uitvoering ervan(1). Niettemin is zij tot een afwijzend oordeel gekomen. Het stond de rechtbank vrij om af te wijken van het medisch oordeel in de geneeskundige verklaring. De rechtbank heeft niet overwogen dat van een stoornis van de geestvermogens geen sprake is. Kennelijk heeft de rechtbank het gevaar dat in de geneeskundige verklaring werd genoemd niet zo klemmend geacht dat voortzetting van het gedwongen verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is.
2.4. De subsidiaire motiveringsklacht faalt omdat het oordeel van de rechtbank berust op gronden die deze beslissing kunnen dragen. Zonder onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater kan geen machtiging tot voortgezet verblijf worden verleend. Deze regel kan niet worden omgekeerd in die zin dat de rechter het verzoek niet zou mogen afwijzen zonder dat dit oordeel steun vindt in een (ander) psychiatrisch onderzoek naar de mogelijke stoornis en het gevaar. Het oordeel van de rapporterende psychiater dat een stoornis van de geestvermogens van de betrokkene aanwezig is en dat deze stoornis betrokkene ook na het verstrijken van de lopende machtiging gevaar zal doen veroorzaken, is niet bindend voor de rechter(2). De verwijzing in punt 2.8 van het cassatieverzoekschrift naar het bericht van de behandelende psychiater d.d. 10 mei 2007 maakt dit niet anders. Onderdeel 1 faalt.
2.5. Onderdeel 2 bestrijdt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht de beslissing om het verzoek van de officier van justitie terstond af te wijzen. Deze klachten zijn subsidiair aan onderdeel 1 voorgesteld: indien de rechtbank al niet gehouden was het verzoek terstond toe te wijzen, was zij volgens onderdeel 2 ten minste verplicht nader onderzoek in te stellen alvorens het verzoek van de officier van justitie af te wijzen. Volgens de klacht had de rechtbank, gelet op de inhoud van de geneeskundige verklaring en het bericht van uitvoering van het behandelingsplan, de beslissing behoren aan te houden teneinde de door de rechtbank gewenste voorlichting te verkrijgen.
2.6. Art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz bepaalt dat de rechter zich, zo mogelijk, laat voorlichten door (onder meer) de behandelende psychiater en door de niet bij de behandeling betrokken psychiater die de geneeskundige verklaring bedoeld in art. 5 Wet Pro Bopz heeft afgegeven. Op grond van art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz is deze bepaling ook van toepassing wanneer een verzoek is ingediend tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf. In de praktijk pleegt de patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis te worden gehoord en wordt bij die gelegenheid tevens de behandelende psychiater gehoord. Om praktische redenen is dit laatste niet altijd mogelijk. De rechtspraak staat toe dat het horen van de behandelend psychiater telefonisch plaatsvindt(3). De mogelijkheden om het horen van de behandelende psychiater uit te stellen zijn evenwel beperkt: de rechter is immers gehouden op het verzoekschrift te beslissen binnen vier weken na indiening daarvan(4). Op niet-nakoming van het bedoelde voorschrift in art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz is geen sanctie gesteld(5). De verwijzing in het cassatierekest naar art. 8 lid 4 Wet Pro Bopz noopt om deze reden niet tot cassatie.
2.7. In het algemeen is het aan de rechter om te bepalen of hij zich voldoende voorgelicht acht dan wel (aanvullende) voorlichting door deskundigen nodig acht. De wijze waarop de rechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het ambtshalve inwinnen van deskundigenrapportage kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Iets anders is, dat in gevallen waarin een procespartijen aan de rechter verzoekt een (aanvullend) onderzoek door deskundigen te laten verrichten, een afwijzing van zodanig verzoek op begrijpelijkheid worden getoetst. Een verzoek van de zijde van de officier van justitie om de opsteller van de geneeskundige verklaring en/of andere deskundigen te horen lag in deze zaak niet voor.
2.8. In het cassatierekest heeft de officier van justitie enkele nadere argumenten genoemd, op grond waarvan hij meent dat in dit geval niettemin een verplichting op de rechtbank rustte om de behandelend psychiater te horen alvorens te beslissen. Samengevat gaat het om de volgende argumenten:
(a) In de rechtspraak geldt het uitgangspunt dat het wenselijk is dat de Bopz-procedure zoveel mogelijk wordt voortgezet en dat de rechter deze niet laat stranden op het feit dat stukken ontbreken of niet is voldaan aan de formele eisen (cassatierekest onder 2.4).
(b) In verzoekschriftprocedures omtrent rechten en verplichtingen die niet ter vrije beschikking staan van partijen, zoals de machtigingsprocedure in de Wet Bopz, heeft de rechter een eigen verantwoordelijkheid. Deze verantwoordelijkheid noopt ertoe dat de rechter actief onderzoek doet teneinde een verantwoorde beslissing te kunnen nemen op basis van zoveel mogelijk actuele en volledige gegevens. Het mag niet zo zijn dat het gevreesde gevaar zich onbelemmerd kan verwezenlijken (cassatierekest onder 2.5).
(c) Het is niet wenselijk na een vermijdbare niet-ontvankelijkheid of afwijzing van een machtigingsverzoek kwetsbare psychiatrische patiënten opnieuw in een procedure te betrekken. Dit pleit ervoor dat de rechter zoveel mogelijk de procedure voortzet totdat een inhoudelijk oordeel op het verzoek kan worden gegeven (cassatierekest onder 2.6).
2.9. Het argument onder (a) treft geen doel. De Hoge Raad heeft inderdaad beslist dat wanneer een machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht maar verzuimd is bij het verzoekschrift de ingevolge art. 16 lid 4 Wet Pro Bopz voorgeschreven documenten over te leggen, dit verzuim niet behoort te leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn verzoek. Het verzuim heeft slechts tot gevolg dat eerst op het verzoek wordt beslist nadat die stukken alsnog zijn overgelegd(6). Uit deze rechtspraak kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat wanneer de vereiste documenten wél bij het verzoekschrift zijn gevoegd, doch - na betwisting - door de rechter inhoudelijk niet voldoende zijn bevonden om daarop een machtiging als verzocht te baseren, de rechter verplicht is ambtshalve te beslissen tot het horen van de behandelende psychiater of tot het instellen van een nader psychiatrisch onderzoek.
2.10. Het argument onder (b) zoekt aansluiting(7) bij de gedachte dat de rechter in verzoekschriftprocedures omtrent rechten en verplichtingen die niet ter vrije beschikking van partijen staan, zich actiever opstelt bij het verzamelen van de relevante feiten dan gebruikelijk is in gewone (rol-)procedures(8). In gewone (rol-)procedures is het initiatief voor het stellen van de feiten neergelegd bij de procederende partijen zelf. Overigens bestaat ook ten aanzien van gewone (rol-)procedures de ontwikkeling dat de rechter ter comparitie actiever dan voorheen optreedt bij het vergaren van inlichtingen over feiten die voor de beslissing van belang kunnen zijn(9).
2.11. De wijze waarop de feitenrechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot het inwinnen van inlichtingen wordt bepaald door zijn beleid en is mede afhankelijk van de bijzonderheden van het aan de rechter voorgelegde geval. Wanneer de rechter zich onvoldoende voorgelicht acht om tot een beslissing op het verzoekschrift te komen, staan hem verscheidene mogelijkheden ten dienste: het stellen van vragen aan partijen of het stellen van vragen aan de in art. 8 Wet Pro Bopz genoemde personen. In iedere verzoekschriftprocedure, ook in Bopz-zaken, heeft de burgerlijke rechter de mogelijkheid ambtshalve een of meer deskundigen te benoemen (art. 194 in Pro verbinding met art. 284 Rv Pro). Voor zover het middel berust op de gedachte dat de rechter verplicht is gebruik te maken van deze mogelijkheden indien hij wil afwijken van het oordeel in de geneeskundige verklaring, faalt de klacht omdat die gedachte geen steun vindt in het recht.
2.12. Het argument onder (c) berust op een algemene aansporing, die inmiddels steun heeft gekregen door de invoering van art. 8a Wet Bopz. Ook in het bestuursprocesrecht is een stroming actueel die bepleit dat de rechter niet blijft steken in beslissingen van formele aard (vernietiging van het bestreden besluit, waarna opnieuw een beslissing op het bezwaarschrift moet worden genomen), maar zich zo mogelijk richt op finale geschillenbeslechting. Voor de onderhavige zaak heeft dit argument echter weinig te bieden: de rechtbank is immers niet blijven steken in een beslissing van formele aard. Zij heeft overwogen dat niet gebleken is dat betrokkene gevaar veroorzaakt dat voortzetting van haar opneming in het ziekenhuis noodzakelijk maakt. Daarmee heeft de rechtbank een beslissing ten gronde gegeven.
2.13. In de resterende alinea's van het cassatieverzoekschrift wordt geciteerd uit de geneeskundige verklaring en uit het bericht omtrent de stand van uitvoering van het behandelingsplan. Het aldaar gestelde ten spijt, is geen rechtsregel aan te wijzen die de rechtbank ertoe noopte het verzoek van de officier van justitie onverkort toe te wijzen. Evenmin wordt in het cassatieverzoekschrift een rechtsregel genoemd die de rechtbank verplichtte haar beslissing aan te houden totdat de door haar gewenste voorlichting door de behandelend psychiater zou zijn verstrekt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Deze drie stukken zijn genoemd op blz. 1 van de beschikking. Uit de woorden "Tijdens het verhoor" in de aangehaalde rechtsoverweging valt niet af te leiden dat de rechtbank uitsluitend zou hebben gelet op hetgeen tijdens het verhoor is gezegd en deze drie stukken niet in haar beschouwingen zou hebben betrokken.
2 Dit is geschreven in reactie op de toelichting in het cassatierekest onder 2.9.
3 Wel is vereist, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, dat de betrokkene en zijn advocaat steeds in de gelegenheid worden gesteld om kennis te nemen van de verstrekte inlichtingen en daarop te reageren. Dit is vaste rechtspraak; zie bijv. HR 16 april 1999, NJ 1999, 432.
4 Art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz. Deze termijn mag worden overschreden indien de rechter overgaat tot het horen van een deskundige op verzoek van de patiënt (art. 48 lid 2 Wet Pro Bopz).
5 Zie HR 1 juli 1994, NJ 1994, 723 m.nt. JdB, onder verwijzing naar de conclusie van de A-G Asser onder 2.7 - 2.19.
6 Het cassatierekest verwijst in dit verband naar HR 25 oktober 2002, BJ 2002, 45; HR 1 juli 1994, NJ 1994, 722 m.nt. JdB onder nr. 723. Zie ook nog: HR 24 juli 1995, NJ 1996, 606.
7 Het cassatierekest wijst op de annotatie van E.L. Schaafsma-Beversluis onder Rb. Assen 3 mei 2004, BJ 2004, 45.
8 Dit komt in de praktijk tot uitdrukking doordat rechtbanken in procesreglementen voorschrijven welke informatie in (of als bijlage bij) bepaalde gedingstukken aan de rechter moet worden overgelegd en door het stellen van vragen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling.
9 W.D.H. Asser, H.A. Groen en J.B.M. Vranken, Een nieuwe balans, Interimrapport Fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht, 2003, hoofdstuk 6; zie ook hun eindrapport, Uitgebalanceerd, 2006, hoofdstuk 5.