ECLI:NL:PHR:2007:BB5071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsrechtelijk geschil over toezegging voortzetting arbeidsvoorwaarden na aandelenoverdracht
De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen een vennootschap en een voormalig aandeelhouder en werknemer die vordert dat hem bij de overdracht van zijn aandelen was toegezegd dat hij tot zijn pensioengerechtigde leeftijd onder gelijkblijvende arbeidsvoorwaarden in dienst zou blijven. De werknemer was sinds 1998 in dienst en had in 2001 zijn aandelen overgedragen tegen een lage prijs, waarbij hij stelde dat dit verband hield met de toezegging over zijn dienstverband.
De rechtbank en het hof wezen de vordering af omdat het vereiste bewijs voor de toezegging niet was geleverd. Het hof oordeelde dat er geen schriftelijk bewijs was en dat de verklaringen van getuigen onvoldoende waren. Ook werd het bewijsaanbod voor nader bewijs afgewezen wegens onvoldoende specificiteit.
In cassatie werden drie middelen aangevoerd, waaronder het betwisten van het bewijsvermoeden en het niet toelaten van nader bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijsvermoeden een feitelijk vermoeden is en dat het aan de feitenrechter is om dit toe te passen. Ook was er geen grond voor het opnieuw horen van getuigen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot voortzetting van arbeidsvoorwaarden tot pensioengerechtigde leeftijd wordt afgewezen.