ECLI:NL:PHR:2007:BB5361
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering naar Griekenland ondanks vertrouwensbeginsel en redelijke termijnverweer
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam die de uitlevering van een verdachte naar Griekenland gedeeltelijk toelaatbaar heeft verklaard. De verdediging voerde onder meer aan dat de Nederlandse Staat een toezegging had gedaan dat geen Nederlanders zouden worden uitgeleverd, en dat de redelijke termijn voor uitlevering was overschreden, waardoor de uitlevering ontoelaatbaar zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat een algemene uitspraak als "Nederland levert geen Nederlanders uit" niet kan leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat uitlevering niet zal plaatsvinden, zeker niet als deze niet specifiek aan de verdachte is gedaan door een bevoegd orgaan. Ook is niet gebleken dat de verdachte door deze mededeling handelingen heeft verricht die hem in een nadelige positie brachten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt daarom verworpen.
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt de Hoge Raad dat de vertraging deels te wijten is aan het gedrag van de verdachte zelf, die zich aan uitleveringsdetentie in Italië onttrok. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro heeft plaatsgevonden die tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering zou leiden. Ook het beroep dat de Griekse autoriteiten geen rechtsmacht zouden hebben wordt verworpen, aangezien de uitleveringsrechter niet over de rechtsmacht van de verzoekende staat oordeelt, tenzij in uitzonderlijke gevallen met zwaarwegend bewijs.
De Hoge Raad verbetert ambtshalve de omschrijving van de feiten waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verklaart de uitlevering naar Griekenland toelaatbaar.