ECLI:NL:PHR:2007:BB5546

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/022HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 2 RvArt. 358 lid 3 RvArt. 407 lid 2 RvArt. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen ondertoezichtstelling wegens gebrek aan belang na termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep van een moeder tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van haar kind voor de periode van 21 september 2005 tot 21 maart 2006. De moeder was belast met het gezag over het kind, terwijl de vader onbekend was. De Raad voor de Kinderbescherming had een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend, waarna de kinderrechter deze beschikking had uitgesproken en het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) had aangewezen als uitvoerder.

De moeder was in eerste aanleg en in hoger beroep verschenen, maar in latere zittingen niet meer. Het hof verklaarde haar hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze beslissing. Het BJAA maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift.

De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de termijn van de ondertoezichtstelling inmiddels was verstreken, waardoor de moeder geen rechtens te respecteren belang meer had bij haar cassatieberoep. Er was geen ander bijzonder belang aangevoerd dat het cassatieberoep ontvankelijk zou maken. Het oordeel van het hof was niet onjuist en strookte met de relevante wetsartikelen en het EVRM. De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang na het verstrijken van de termijn van de ondertoezichtstelling.

Conclusie

Rekestnr. R07/022HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 12 oktober 2007
Conclusie inzake:
[De moeder]
tegen
Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam
Deze zaak betreft de ondertoezichtstelling van een kind voor de periode van 21 september 2005 tot 21 maart 2006(1).
1. Feiten en procesverloop(2)
1.1 Verzoekster tot cassatie is de moeder van de op [geboortedatum] 1996 geboren [het kind]. De moeder is belast met de uitoefening van het gezag, de vader is onbekend.
1.2 Op 31 januari 2005 heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam, hierna: de raad, een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam, strekkende tot ondertoezichtstelling van [het kind] voor de duur van één jaar.
1.3 Bij beschikking van 21 maart 2005 heeft de kinderrechter te Amsterdam, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van 6 maanden en bepaald dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door thans verweerster in cassatie, het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, locatie Overtoom, hierna: het BJAA. Voor het overige heeft de rechtbank de zaak aangehouden teneinde het BJJA in de gelegenheid te stellen een nader onderzoek te doen instellen door een extern deskundige naar het huidige ontwikkelingsniveau van [het kind].
1.4 De moeder is van deze (deel)beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam en heeft verzocht het verzoek van de raad alsnog af te wijzen. Bij beschikking van 14 juli 2005 (met rekestnummer 575/05) heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd. Daarnaast heeft de moeder verzocht de uitvoerbaarverklaring bij voorraad te schorsen, welk verzoek eveneens bij (afzonderlijke) beschikking van 14 juli 2005 (met rekestnummer 794/05) door het hof is afgewezen.
1.5 Ter terechtzitting van 8 augustus 2005 en van 5 september 2005 is de behandeling van de zaak door de kinderrechter voortgezet. Daarbij zijn [betrokkene 1] namens het BJAA en [betrokkene 2] namens de raad verschenen en gehoord.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen; haar advocaat evenmin.
1.6 Bij beschikking van 5 september 2005 heeft de kinderrechter [het kind], uitvoerbaar bij voorraad, onder toezicht gesteld van het BJAA, met ingang van 21 september 2005 tot 21 maart 2006.
1.7 De moeder is op 16 oktober 2006 van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam(3).
1.8 Het BJAA heeft een verweerschrift ingediend in de op de zitting van 4 december 2006 tevens behandelde zaken met rekestnummers 1588/06(4) en 1589/06(5), welk verweerschrift het hof, gelet op de onderliggende samenhang, heeft beschouwd als tevens ingediend in de onderhavige zaak.
1.9 Ter zitting van 4 december 2006 is de raad, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ook de moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen; haar advocaat is wel verschenen.
1.10 Bij beschikking van 4 december 2006 heeft het hof in de zaken met rekestnummers 1586/06 en 1587/06 de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep(6).
1.11 De moeder heeft tegen deze beschikking tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld.
Het BJAA heeft bij brief meegedeeld geen gebruik te maken van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen(8).
2. Ontvankelijkheid
2.1In de bestreden beschikking is de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd waarbij de ondertoezichtstelling van [het kind] is bevolen in de periode van 21 september 2005 tot 21 maart 2006. Nu laatstgenoemde datum inmiddels is verstreken, heeft de moeder ingevolge vaste rechtspraak geen rechtens te respecteren belang meer bij haar cassatieberoep en dient zij daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in dat beroep(9). Een bijzonder belang, dat wil zeggen een ander belang dan het doen eindigen van de in deze procedure uitgesproken ondertoezichtstelling, is in het cassatieverzoekschrift niet aangevoerd.
2.2 Ten overvloede wijs ik erop dat, voorzover het cassatiemiddel al voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro., het cassatieberoep dient te worden verworpen omdat het hof met juistheid heeft beslist dat de moeder wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is in haar appel.
Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van art. 358 lid 2 Rv Pro. (10), nu in cassatie niet is bestreden dat (i) de rechtbank de ondertoezichtstelling van [het kind] bij beschikking van 5 september 2005 heeft bevolen, (ii) de rechtbank daarvan mededeling heeft gedaan ter zitting van diezelfde datum, voor welke zitting de moeder behoorlijk was opgeroepen en (iii) zij op 16 oktober 2006 hoger beroep heeft ingesteld.
Niet valt in te zien waarom dit oordeel in strijd zou zijn met de in het cassatiemiddel genoemde art. 6, 8, 9 en 14 EVRM, art. 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, art. 358 lid 3 eerste Pro volzin Rv. en art. 1:254 lid 1 BW Pro. In het middel wordt zulks evenmin nader toegelicht.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder rekestnummer R07/023HR over verlenging van de ondertoezichtstelling, waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Zie de beschikking van het hof Amsterdam van 4 december 2006 in de zaken met rekestnummers 1586/06 en 1587/06 in verbinding met de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2005.
3 Het betreft de zaak onder rekestnummer 1586/06. In een afzonderlijke procedure heeft de moeder het hof tevens verzocht de schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van 5 september 2005 te bevelen (zaak met rekestnummer 1587/06). Het hof heeft beide zaken tezamen behandeld en beslist bij beschikking van 4 december 2006.
4 Dit betreft de thans in cassatie aanhangige parallelzaak onder rekestnummer R07/023HR over verlenging van de ondertoezichtstelling.
5 Dit betreft een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de in genoemde parallelprocedure bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2006.
6 Het hof heeft bij afzonderlijke beschikking van (eveneens) 4 december 2006 beslist in de zaken met rekestnummers 1588/06 en 1589/06.
7 Het verzoekschrift tot cassatie is op 7 februari 2007 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.
8 Zie de brief van 27 maart 2007 van mr. S.M. Kingma namens het BJAA aan de Griffier bij de Civiele Kamer, welke brief zich in het griffiedossier bevindt.
9 In mijn conclusie vóór HR 28 september 2007, LJN BA 5805 heb ik in dit verband enige (kritische) opmerkingen gemaakt (onder 2.2).
10 Door de verwijzing door het hof naar art. 358 lid 3 Rv Pro. heeft het hof hetzij een kennelijke vergissing gemaakt, hetzij tot uitdrukking willen brengen dat het de moeder als een verschenen belanghebbende typeert, nu zij aanvankelijk ter zitting van de kinderrechter is verschenen en voor de voortzetting van de behandeling in eerste aanleg behoorlijk is opgeroepen, zodat de termijn loopt vanaf de dag van de uitspraak.