ECLI:NL:PHR:2007:BB5546
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen ondertoezichtstelling wegens gebrek aan belang na termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep van een moeder tegen een beschikking tot ondertoezichtstelling van haar kind voor de periode van 21 september 2005 tot 21 maart 2006. De moeder was belast met het gezag over het kind, terwijl de vader onbekend was. De Raad voor de Kinderbescherming had een verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend, waarna de kinderrechter deze beschikking had uitgesproken en het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) had aangewezen als uitvoerder.
De moeder was in eerste aanleg en in hoger beroep verschenen, maar in latere zittingen niet meer. Het hof verklaarde haar hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze beslissing. Het BJAA maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de termijn van de ondertoezichtstelling inmiddels was verstreken, waardoor de moeder geen rechtens te respecteren belang meer had bij haar cassatieberoep. Er was geen ander bijzonder belang aangevoerd dat het cassatieberoep ontvankelijk zou maken. Het oordeel van het hof was niet onjuist en strookte met de relevante wetsartikelen en het EVRM. De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook om het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang na het verstrijken van de termijn van de ondertoezichtstelling.