7. Tegen dit vonnis heeft de man principaal en de vrouw incidenteel geappelleerd bij het gerechtshof te Arnhem.
Het hof heeft, bij eindarrest van 10 januari 2006, de grieven in het principaal appel verworpen met de overweging dat de grieven opkomen tegen beslissingen van het hof in het eerste appel die in dit tweede appel bindende kracht hebben en met de overweging dat voorzover de man beoogt te betogen dat ten onrechte bij de vaststelling van de aan de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding geen rekening is gehouden met een latente belastingclaim, de grief faalt om de volgende reden: "de rechtbank heeft voor de vaststelling van de hoogte van de gebruiksvergoeding aansluiting gezocht bij de overwaarde die de woning vertegenwoordigt, hetgeen in deze procedure niet tussen partijen in geschil is. Voor de bepaling van de waarde van het gedeelte van de woning waarop de vrouw recht heeft gedurende de tijd dat zij mede-eigenaar is, is niet relevant of de man in de toekomst belasting dient af te dragen (...)".
In het incidenteel appel overwoog het hof met de vrouw van oordeel te zijn dat "gewaardeerd dient te worden naar de datum van de verdeling, zodat, nu nog steeds niet verdeeld is, het door de rechtbank vastgestelde bedrag niet meer kan worden gevolgd". Het hof heeft vervolgens de woning conform de door de vrouw berekende waarde gewaardeerd op € 383.989,-, dus op € 43.898,- meer dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag. Uitgaande van deze geactualiseerde waarde heeft het hof, op grond van de in appel niet bestreden berekeningswijze van de rechtbank, de door de man te betalen gebruiksvergoeding bepaald op een enkelvoudige rente van 4% per jaar over € 51.277,24 vanaf 23 juli 1998. Ten slotte heeft het hof overwogen dat het op andere gronden dan de rechtbank van oordeel is dat de vrouw geen recht heeft op de wettelijke rente vanaf 29 juli 1999, de datum van de inleidende dagvaarding. "Volgens vaste jurisprudentie", aldus het hof, "kan, zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, een daarop gebaseerde vordering niet worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim is. Nu de verdeling eerst bij vonnis van 13 oktober 2004 is vastgesteld, heeft de vrouw eerst vanaf die datum recht op de wettelijke rente. De wettelijke rente zal daarom vanaf die datum worden toegewezen over het door de rechtbank toegewezen bedrag, dus over € 94.129,73. In zoverre slaagt de grief. De wettelijke rente over het meerdere, dus over € 21.948,27, zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2006."
In het dictum van zijn arrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 13 oktober 2004 vernietigd voorzover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw te betalen ter zake van overbedeling € 94.129,73 en voorts een gebruiksvergoeding van 4% per jaar over € 40.302,74 tot aan de dag der voldoening en voorzover de gevorderde wettelijke rente is afgewezen. Het hof heeft vervolgens, in zoverre opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling te betalen € 116.078,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 94.129,73 vanaf 13 oktober 2004 en over € 21.948,27 vanaf 1 maart 2006 tot de dag der voldoening alsmede om aan de vrouw ter zake van een vergoeding van het gebruik van de woning van partijen te betalen een - enkelvoudige - rente van 4% per jaar over € 51.277,24 vanaf 23 juli 1998 tot aan de dag der voldoening. Voor het overige heeft het hof de vonnissen van 4 februari 2004 en 13 oktober 2004 bekrachtigd.