ECLI:NL:PHR:2007:BB6375
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsgebruik verklaring ondanks proces-verbaal afwijking en straftijdvermindering wegens termijnoverschrijding
In deze zaak werd verzoeker veroordeeld voor poging tot moord na een incident op 23 december 2004 waarbij hij een ex-vriendin meerdere malen met een mes stak. De verdediging stelde dat een verklaring van verzoeker die als bewijsmiddel werd gebruikt niet in het proces-verbaal van de terechtzitting was opgenomen, waardoor deze verklaring niet als bewijs mocht dienen. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat het ontbreken van de verklaring in het proces-verbaal niet automatisch betekent dat deze niet als bewijs kan worden gebruikt, zeker niet als de verklaring inhoudelijk overeenkomt met wat verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechtbank in eerste aanleg bevoegd was om de verklaring als bewijsmiddel te gebruiken, ook al was deze niet volledig in het proces-verbaal opgenomen, omdat de zitting plaatsvond vóór het arrest HR NJ 2006, 219. Bovendien was de verklaring niet strijdig met het proces-verbaal en werd de verklaring ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals bloedsporen op een jas van verzoeker en getuigenverklaringen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de behandeling van het cassatieberoep de redelijke termijn had overschreden, omdat de stukken bijna tien maanden later dan gebruikelijk bij de Hoge Raad waren ingediend. Dit leidde tot een strafvermindering. De Hoge Raad wees het beroep voor het overige af en handhaafde de veroordeling, waarbij de belangen van het slachtoffer werden meegewogen.
Uitkomst: De veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wordt bevestigd met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.